Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2007 gehuwd en zijn in eerste aanleg gescheiden bij beschikking van 26 maart 2018, waarbij ook partner- en kinderalimentatie werden vastgesteld. De man kwam in hoger beroep met grieven over de alimentatiebedragen, terwijl de vrouw incidenteel hoger beroep instelde over de berekening van de behoefte.
Partijen bereikten tijdens de procedure een akkoord over kinderalimentatie en partneralimentatie, waarbij de man geen draagkracht voor partneralimentatie had en een achterstand in kinderalimentatie en kosten van de echtelijke woning zou voldoen. Zij verzochten het hof deze afspraken te bekrachtigen en alsnog de echtscheiding in te schrijven.
Het hof overwoog dat de echtscheidingsbeschikking haar kracht verloor omdat de inschrijving niet binnen zes maanden na kracht van gewijsde had plaatsgevonden, zoals vereist in artikel 1:163 lid 3 BW Pro. Hierdoor zijn partijen nog gehuwd en ontbreekt rechtsgrond en belang voor het hoger beroep tegen nevenvoorzieningen.
Daarom verklaarde het hof beide partijen niet-ontvankelijk in hun hoger beroep en compenseerde de proceskosten, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. Het meer of anders verzochte werd afgewezen. De echtscheiding blijft oningeschreven, waardoor de alimentatiebeslissingen niet van kracht zijn.
Uitkomst: Partijen worden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep wegens niet tijdige inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.