Appellant, een grafisch ontwerper met een eenmanszaak, had één schuldeiser, de belastingdienst, met een belastingschuld van circa €88.000. Voorafgaand aan het verzoek tot wettelijke schuldsaneringsregeling bood appellant een schuldregeling aan waarbij de belastingdienst 27,9%, later 48% en uiteindelijk 56% van de vordering zou ontvangen. De belastingdienst weigerde telkens in te stemmen.
De rechtbank wees het verzoek tot dwangakkoord en schuldsanering af en appellant ging in hoger beroep. Het hof behandelde het primaire verzoek om de belastingdienst te bevelen in te stemmen met de schuldregeling. Het hof overwoog dat de belastingdienst in redelijkheid tot weigering kon komen vanwege het volledige aandeel in de schuldenlast, het grote financiële belang en de verwijtbaarheid van de omzetbelastingschulden, aangezien appellant geen correcte aangiftes had gedaan en geen gelden had gereserveerd.
Daarnaast speelde het concurrentieverstorende effect van medewerking aan de schuldregeling mee, omdat appellant mogelijk lagere tarieven kan hanteren dan concurrenten die wel tijdig betalen. Het hof vond dat het belang van de belastingdienst zwaarder woog dan dat van appellant, ook al zou de schuldsaneringsregeling mogelijk een lager uitkeringspercentage opleveren. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.