De zaak betreft een geschil over de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant, die sinds 2002 arbeidsongeschikt is en een verzekering bij De Amersfoortse heeft. Het hof bevestigt eerdere bindende beslissingen en beoordeelt de arbeidsongeschiktheid over verschillende perioden, waarbij deskundigenrapporten van een neuroloog, verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zijn betrokken.
De neuroloog constateert chronische dagelijkse hoofdpijn en epilepsie, zonder dat er sprake is van toename van ernstige klachten eind 2011. De verzekeringsarts bevestigt beperkingen vanaf 21 september 2011. De arbeidsdeskundige concludeert dat appellant 65-80% arbeidsongeschikt is, met name door beperkingen in sociaal functioneren en leidinggevende taken, rekening houdend met taakverschuiving binnen het eigen bedrijf.
Het hof wijst het beroep van appellant toe voor de periode vanaf 21 september 2011 tot het einde van de verzekering op 1 mei 2016, met recht op uitkering en premievrijstelling op basis van 65-80% arbeidsongeschiktheid. Ook wordt De Amersfoortse veroordeeld tot betaling van onverschuldigde premies, kosten van deskundigen en proceskosten. Bezwaar tegen de gehanteerde methodiek en vraagstelling worden afgewezen wegens procesrechtelijke redenen en inhoudelijke motieven.
De uitspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht, waarbij het hof de bindende eindbeslissing handhaaft en de vorderingen van appellant grotendeels toewijst. De Amersfoortse wordt in het ongelijk gesteld en draagt de kosten van de procedure en deskundigenrapportages.