Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De motivering van de beslissing in hoger beroep
Terecht en op goede gronden heeft de rechtbank immers in rechtsoverweging 4.5 van het tussenvonnis van 22 maart jl. overwogen dat het verzekerd beroep van [geïntimeerde] “tandarts” is”, geldt het navolgende. De dekking, die door [appellante] wordt verleend op basis van de verzekeringsovereenkomsten, blijkt uit de Basisovereenkomst NMT van 5 december 1996, de NMT 95/7 en de verstrekte deelnemingsbewijzen. Uit de Basisovereenkomst NMT blijkt dat door NMT (Nederlandse Maatschappij tot bevordering ter Tandheelkunde) aan te melden deelnemers worden verzekerd op de in de NMT 95/7 vermelde voorwaarden en dat iedere deelnemer een bewijs van deelname aan de collectieve verzekering ontvangt. Aan [geïntimeerde] zijn deelnemingsbewijzen verstrekt, waarop als beroep staat vermeld “tandarts”. Artikel 1A, aanhef en onder 2 van de NMT 95/7 bepaalt onder meer dat verzekerden zijn al degenen die als tandarts of tandarts-specialist anders dan in loondienst werkzaam zijn. Voorts is in artikel 2 van Pro de NMT 95/7 bepaald dat van arbeidsongeschiktheid uitsluitend sprake is indien er in directe relatie tot ziekte of ongeval, objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde voor ten minste 25% beperkt is om de werk-zaamheden verbonden aan het in de polis omschreven beroep (tandarts) te verrichten. Het bovenstaande laat geen andere conclusie toe dan dat als verzekerd beroep heeft te gelden het beroep van tandarts. Dat bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een verzekerde wordt gekeken naar de aan dat beroep verbonden werkzaamheden, doet aan die vaststelling niet af. Daaraan doet evenmin af dat [geïntimeerde] de verzekeringen bij [appellante] heeft afgesloten via VVAA: [appellante] heeft in dat kader onvoldoende onderbouwd dat VVAA kennis had en die met [geïntimeerde] deelde, op grond waarvan moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] wist of had moeten weten dat tandarts niet het verzekerde beroep zou zijn.
III. Beeld van de casus en de gevolgde strategie