Uitspraak
in eerste aanleg: verzoeker tevens verweerder in het (voorwaardelijke) tegenverzoek,
1.1. Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- een nadere toelichting op het beroepschrift tevens voorwaardelijk verweerschrift, met producties, ter griffie ontvangen op 14 maart 2019;
3.De feiten
4.Het verzoek aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan
5.De verzoeken in hoger beroep
gronden 1 tot en met 4 en 6keren zich tegen de door de kantonrechter aangenomen dringende reden. Volgens
grond 5kan het verweten handelen en nalaten niet aan [Verzoeker] worden toegerekend, terwijl [Verzoeker] met
grond 7betoogt dat zijn persoonlijke omstandigheden onjuist zijn meegewogen. De
gronden 8 tot en met 12komen op tegen de afwijzing van zijn verzoeken tot vernietiging van het ontslag op staande voet onderscheidenlijk tot toekenning van een billijke vergoeding, de transitievergoeding, een vergoeding voor onregelmatige opzegging en nevenverzoeken, waarbij volgens
grond 8de ontslagen niet onverwijld zijn gegeven.
Grond 13keert zich het oordeel dat [Verzoeker] een gefixeerde schadevergoeding in de zin van artikel 7:677 lid 2 BW Pro aan [verweerster] is verschuldigd, die voor verrekening vatbaar is met wat [verweerster] aan eindafrekening aan [Verzoeker] diende te voldoen.
gronden 1 tot en met 4 en 6slagen in zoverre.
gronden 5 en 7falen.
Grond 8is vergeefs voorgesteld.
grond 13bestreden verrekening in de eindafrekening van onder meer vakantietoeslag en openstaande vakantiedagen met de gefixeerde schadevergoeding berust enkel op de stelling dat ten onrechte is aangenomen dat [Verzoeker] vanwege het ontslag op staande voet de in artikel 7:677 lid 2 BW Pro bedoelde gefixeerde schadevergoeding aan [verweerster] is verschuldigd. Nu hiervoor is geoordeeld dat het aan [Verzoeker] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zij het dat van 15 mei 2018, faalt deze grond.