De Inspecteur van de Belastingdienst stelde dat [A], werkzaam voor belanghebbende via [B] B.V., in privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot belanghebbende en derhalve verzekerd was op grond van de werknemersverzekeringen. De rechtbank Gelderland oordeelde echter dat geen sprake was van een dienstbetrekking en vernietigde de beschikking van de Inspecteur.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof deze uitspraak. Het hof stelde vast dat partijen uitdrukkelijk geen arbeidsovereenkomst wilden sluiten en dat [A] mede invulling gaf aan de inhoud van de televisieprogramma’s, waarbij sprake was van een levend script en improvisatie. Ook werd benadrukt dat [A] niet afhankelijk was van belanghebbende en andere substantiële werkzaamheden verrichtte.
De Inspecteur had onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt om het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking te onderbouwen. Het hof veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten en legde griffierecht op. De uitspraak bevestigt dat de verhouding tussen belanghebbende en [A] niet kwalificeert als dienstbetrekking in de zin van de werknemersverzekeringen.