ECLI:NL:GHARL:2019:3853

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 april 2019
Publicatiedatum
3 mei 2019
Zaaknummer
17/00889
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening toeristenbelastingArt. 5 Verordening toeristenbelastingArt. 2, tweede lid, Verordening forensenbelastingArt. 8:64, vijfde lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep toeristenbelasting: vrijstelling verblijf in gemeubileerde woning niet aangetoond

Het geschil betreft de aanslagen toeristenbelasting opgelegd aan belanghebbende, die stacaravans verhuurt in de gemeente Ommen. Belanghebbende beroept zich op een vrijstelling voor verblijf in gemeubileerde woningen waarvoor forensenbelasting verschuldigd is. Het hof verwijst naar een eerdere tussenuitspraak waarin het onderzoek werd heropend en belanghebbende werd verzocht nadere informatie te verstrekken over het hoofdverblijf van haar huurders.

Belanghebbende heeft echter geen concrete en verifieerbare gegevens aangeleverd die kunnen onderbouwen dat de huurders van haar stacaravans hun hoofdverblijf niet in de gemeente Ommen hebben. Zij volstaat met de opmerking dat gebruikersverklaringen bij de beheerder ter inzage liggen, maar dit is onvoldoende om de vrijstelling toe te passen. Het hof stelt dat de bewijslast bij belanghebbende ligt en dat zij niet aan deze bewijslast heeft voldaan.

Daarom vernietigt het hof de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond. De aanslagen toeristenbelasting blijven daarmee van kracht. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond wegens onvoldoende bewijs voor vrijstelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer 17/00889
uitspraakdatum:
30 april 2019
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Ommen(hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 augustus 2017, nummer Awb 16/3018 in het geding tussen de heffingsambtenaar en
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
Voor het ontstaan en de loop van het geding tot de mondelinge behandeling van de zaak door het Hof op 1 augustus 2018 verwijst het Hof naar zijn tussenuitspraak van 25 september 2018 in dit geding, nummer 17/00889 (hierna: de tussenuitspraak).
1.2
Het Hof heeft in de genoemde tussenuitspraak beslist dat het onderzoek moet worden heropend. Het heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verstrekken. Belanghebbende en [A] te [Z] hebben daarop gezamenlijk gereageerd. Bij de mondelinge behandeling op 1 augustus 2018 zijn die zaken, tezamen met de zaak van [B] BV te Zwolle, rolnummer 17/00891, gelijktijdig behandeld. Het geschil in deze zaken is identiek.
1.3
Bij brief van 5 december 2018 heeft het Hof partijen verzocht aan te geven of zij een nadere mondelinge behandeling wensten van hun zaak. In die brief is opgenomen: “Als u het formulier niet binnen twee weken na dagtekening van deze brief retourneert, gaat het hof ervan uit dat u geen (nadere) zitting wenst.” [A] heeft het formulier geretourneerd en uitdrukkelijk niet om een nadere zitting verzocht. Belanghebbende heeft het formulier niet teruggezonden. Gelet op de gezamenlijke standpuntbepaling door belanghebbende en [A] , en de hiervoor geciteerde zin, heeft het Hof aangenomen dat ook belanghebbende niet om een nadere zitting heeft verzocht.
1.4
Het Hof heeft daarop met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek gesloten en bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

2.De vaststaande feiten en het geschil

Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van het geschil verwijst het Hof naar de tussenuitspraak
3. Beoordeling van het geschil
3.1
Het Hof heeft in zijn tussenuitspraak – onder meer – geoordeeld:
“De aanslagen
4.8
Belanghebbende is degene die de stacaravans verhuurt aan natuurlijke personen die verblijf houden met overnachting. Zij moet daarom worden aangemerkt als degene die de gelegenheid tot verblijf biedt, zoals bedoeld in de Verordening toeristenbelasting. De omstandigheid dat zij de stacaravans alleen langdurig verhuurt doet daaraan niet af (vgl. Hoge Raad 17 juni 2016, nr. 15/02492, ECLI:NL:HR:2016:1201).
4.9
Voor dat geval is niet in geschil dat, als de na te noemen vrijstelling niet van toepassing is, de aanslagen zoals die luiden na de ambtshalve vermindering - waarbij de heffingsambtenaar de aanslagen alsnog heeft vastgesteld met toepassing van de forfaitaire vaststelling van de heffingsmaatstaf (partijen spreken in dezen van een forfaitair tarief) als bedoeld in artikel 5 van Pro de Verordening toeristenbelasting - terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd.
4.1
Artikel 3 van Pro de Verordening toeristenbelasting voorziet in een aantal vrijstellingen waaronder een vrijstelling van het verblijf van degene die verblijf houdt in een gemeubileerde woning voor welk verblijf forensenbelasting is verschuldigd (hierna: de vrijstelling). Naar het oordeel van het Hof is het aan belanghebbende, die zich beroept op de toepassing van de vrijstelling, de feiten en omstandigheden te stellen en, nu de heffingsambtenaar de toepassing gemotiveerd heeft bestreden, aannemelijk te maken op grond waarvan moet worden geoordeeld dat en in hoeverre op overnachtingen die door de heffingsambtenaar tot de heffingsmaatstaf voor de toeristenbelasting zijn gerekend, de vrijstelling van toepassing is.
4.11
Belanghebbende heeft geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd die ten grondslag kunnen worden gelegd aan het in 4.10 bedoelde oordeel. Dat zij langdurig verhuurt kan er onder omstandigheden zelfs toe leiden dat moet worden gesproken van het hoofdverblijf van de huurder. Maar omtrent de omstandigheden waarnaar moet worden beoordeeld of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft (artikel 2, tweede lid, van de Verordening forensenbelasting) is verder niets gesteld of gebleken.
4.12
Vorenstaande verdeling van de bewijslast is een andere dan waarvan de Rechtbank in de bestreden uitspraak en in de onder 2.3 genoemde uitspraak is uitgegaan en die de heffingsambtenaar en belanghebbende ook in de onderhavige procedure tot uitgangspunt hebben genomen. Nu sprake is van rechtstoepassing en de heffingsambtenaar gemotiveerd bestrijdt dat de aanslagen ten onrechte zijn opgelegd kan het Hof partijen in hun standpunt niet volgen. De hier bedoelde bewijslastverdeling is eerst ter zitting van het Hof ter sprake gekomen.
4.13
In de omstandigheid dat de bewijslast anders moet worden verdeeld dan waarvan partijen zijn uitgegaan en belanghebbende zich tot aan de mondelinge behandeling door het Hof daarop niet heeft voorbereid, vindt het Hof aanleiding deze tussenuitspraak te doen. Belanghebbende zal alsnog in de gelegenheid worden gesteld feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die kunnen leiden tot het oordeel dat en in hoeverre huurders van haar stacaravans niet hun hoofdverblijf hadden in de gemeente Ommen.”
3.2
Belanghebbende heeft geen nadere gegevens verstrekt doch volstaan met de opmerking dat zij elke bewoner een gebruikersverklaring laat opstellen
“welke voor de gemeente bij de beheerder ter inzage ligt.
Hierin staan de naam, het vorige adres of het (vaak buitenlandse) woonadres, het telefoonnummer en het nummer van de identiteitskaart vermeld.
(…)
De gemeente heeft hiermee alle nodige gegevens om contact op te nemen en te bepalen of iemand als forens gezien moet worden of de facto zijn hoofdverblijf in de gemeente heeft.”
3.3
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende daarmee niet op de haar rustende bewijslast voldaan.
3.4
Mede gelet op de overige in de tussenuitspraak gegeven oordelen is het hoger beroep van de heffingsambtenaar gegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd en het beroep moet ongegrond worden verklaard.

4.Proceskosten

Het Hof vindt geen aanleiding tot veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende.

5.Beslissing

Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, en
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.
De beslissing is op
30 april 2019in het openbaar uitgesproken.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. Den Ouden.
De griffier
(A. Vellema) (R. den Ouden)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 mei 2019.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH DEN HAAG.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.