Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Ommen tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel inzake toeristenbelasting opgelegd aan belanghebbende, die stacaravans verhuurt. Het geschil betrof met name de toepassing van een vrijstelling voor verblijf in gemeubileerde woningen waarvoor forensenbelasting verschuldigd is.
In een eerdere tussenuitspraak had het hof het onderzoek heropend en belanghebbende in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verstrekken over het hoofdverblijf van de huurders. Tijdens de procedure werd vastgesteld dat belanghebbende onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens aanleverde om aannemelijk te maken dat haar huurders niet hun hoofdverblijf in de gemeente Ommen hadden.
Het hof stelde dat de bewijslast voor het toepassen van de vrijstelling bij belanghebbende ligt, en dat de heffingsambtenaar gemotiveerd heeft bestreden dat de vrijstelling van toepassing is. Omdat belanghebbende niet aan deze bewijslast voldeed, kon de vrijstelling niet worden toegepast. De aanslagen toeristenbelasting zijn daarom terecht opgelegd, met uitzondering van de aanslag over 2013 die werd verminderd wegens een fout in de forfaitaire vaststelling door de heffingsambtenaar.
Het hof veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens deze vermindering en handhaafde de overige beslissingen van de rechtbank. De uitspraak is openbaar gedaan op 30 april 2019 en de partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen.