In deze zaak staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over een vordering van de vader om de moeder te verbieden de verblijfplaats van hun minderjarige kind te wijzigen en om terugkeer naar Nederland te gelasten. Het kind verblijft zonder toestemming van de vader in Bulgarije, terwijl de ouders gezamenlijk gezag hebben.
Het hof stelt vast dat op grond van Brussel II-bis de Nederlandse rechter bevoegd blijft zolang het kind niet langer dan een jaar in Bulgarije verblijft en de vader niet heeft berust in het verblijf aldaar. De moeder voerde onder meer aan dat de Bulgaarse rechter bevoegd zou zijn, maar het hof oordeelt dat in Bulgarije geen procedure over ouderlijke verantwoordelijkheid loopt en dat Brussel II-bis voorrang heeft op het HKOV-verdrag.
Het hof bevestigt het spoedeisend belang van de vordering en weegt de belangen van partijen. Het hof acht de veiligheid van het kind in Nederland gewaarborgd en ziet geen reden om het verblijf in Bulgarije te rechtvaardigen, mede gelet op het ontbreken van overtuiging over de door de moeder geuite beschuldigingen. De opgelegde dwangsommen en proceskostenveroordeling blijven in stand.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 8 februari 2019, waarin de moeder is veroordeeld tot terugkeer van het kind naar Nederland en naleving van de zorgregeling.