Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, waarbij de moeder, die het gezag heeft, in hoger beroep ging tegen de verlenging. De vader, zonder gezag, werd door het hof alsnog als belanghebbende aangemerkt vanwege zijn directe betrokkenheid bij de omgangsregeling en ondertoezichtstelling.
De moeder betwistte de noodzaak van verlenging, stellende dat er geen ernstige ontwikkelingsbedreiging is en dat de ondertoezichtstelling vooral dient om een omgangsregeling af te dwingen. Zij voerde aan dat zij voldoende hulpverlening accepteert en dat de ondertoezichtstelling belastend is voor het kind. De gecertificeerde instelling (GI) stelde dat het kind ernstig in ontwikkeling wordt bedreigd door het ontbreken van contact met de vader, de verstoorde verstandhouding tussen ouders en de kwetsbaarheid van het kind.
Het hof concludeerde dat de gronden voor ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn, mede gezien de ernstige verstoorde relatie tussen ouders, de problematiek bij het kind en het belang van toezicht op het welzijn en de hulpverlening. Het hof vond de verlenging gerechtvaardigd en niet in strijd met artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro. De bestreden beschikking werd daarom bekrachtigd.
Uitkomst: De verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 15 januari 2020 wordt bekrachtigd.