Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 in zijn aangifte inkomstenbelasting een bedrag opgevoerd als periodieke giften, waaronder betalingen aan het Ministerie van Financiën die hij als belastingen kwalificeerde. De Inspecteur heeft deze aftrek geweigerd en een aanslag opgelegd met een hoger belastbaar inkomen. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het Hof heeft vastgesteld dat belastingen geen giften zijn in de zin van artikel 6.33 van de Wet IB 2001, omdat zij voortvloeien uit een wettelijke betalingsverplichting en geen bevoordelingen uit vrijgevigheid vormen. De wetsgeschiedenis bevestigt dat de term 'verplichte bijdragen' niet bedoeld is voor belastingschulden. Het Hof oordeelt daarom dat de door belanghebbende betaalde belastingen niet als periodieke giften kunnen worden aangemerkt en dat de aftrek niet toekomt.
Belanghebbendes subsidiaire beroep op schending van het rechtszekerheidsbeginsel wordt verworpen, omdat de wettelijke bepalingen voldoende duidelijk zijn en uitleg door de rechter mogelijk is. Het hoger beroep wordt ook voor de belastingrente ongegrond verklaard. Het Hof bevestigt daarmee het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.