Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Emmen(hierna: de Inspecteur)
[Z](hierna: belanghebbende)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, een taxibedrijfhouder, kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd wegens vermeend onjuist gebruik van twee taxi’s, auto 1 en auto 2, waarvoor eerder BPM-teruggave was verleend. De Inspecteur stelde dat niet was voldaan aan de voorwaarde dat de auto’s nagenoeg geheel voor taxivervoer werden gebruikt, en legde een vergrijpboete op.
De Rechtbank Gelderland vernietigde deels de aanslag en boete, oordeelde dat belanghebbende aannemelijk moest maken dat de auto’s voor ten minste 90% voor taxivervoer waren gebruikt, en matigde de boete wegens termijnoverschrijding. Het Hof verklaarde het incidentele hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk wegens te late indiening.
Het Hof oordeelde dat voor auto 2 over de eerste twee jaren van de driejaarsperiode aannemelijk was dat deze nagenoeg geheel voor taxivervoer werd gebruikt, ondanks enkele administratieve onregelmatigheden en afwijkingen in rittenstaten. De vergrijpboete voor auto 2 werd daarom niet bewezen verklaard. Voor het derde jaar was belanghebbende terecht BPM verschuldigd wegens verkoop van de auto. De naheffingsaanslag werd dienovereenkomstig verminderd. Het Hof zag geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het Hof vermindert de naheffingsaanslag BPM tot €13.435 en verklaart het incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk; de vergrijpboete voor auto 2 vervalt.