Partijen zijn in 1983 gehuwd en in 2008 gescheiden, waarbij de man aan de vrouw partneralimentatie betaalde. De man stelde hoger beroep in tegen een beschikking die de alimentatie wijzigde naar €399 per maand, stellende dat zijn draagkracht was verminderd door ziekte en extra kosten.
Het hof onderzocht de actuele financiële situatie, inclusief het inkomen van de man en zijn echtgenote, woonlasten, zorgkosten en extra kosten door ziekte en mantelzorg. De vrouw betwistte diverse posten, waaronder vervoerskosten en zorgtoeslag.
Het hof concludeerde dat de behoefte van de vrouw minimaal €442,39 per maand bedraagt, maar dat de draagkracht van de man beperkt is tot €190 per maand. Extra kosten voor mantelzorg en vervoer werden grotendeels niet erkend, behalve een geschatte €75 per maand voor ziektegerelateerde kosten.
De ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie werd vastgesteld op 1 augustus 2018. Verzoeken tot limitering van de duur van de alimentatie werden afgewezen, waarbij het hof oordeelde dat de alimentatieverplichting eindigt op 1 juli 2020 conform wettelijke termijn.
De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover deze de alimentatie betrof en stelde de nieuwe bijdrage vast.