ECLI:NL:GHARL:2019:5135

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 juni 2019
Publicatiedatum
20 juni 2019
Zaaknummer
200.259.913
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62b Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing van civiele zaak wegens betrokkenheid rechter naar ander gerechtshof

In deze civiele procedure in hoger beroep, ingesteld door de curator in het faillissement van Nedfiber B.V., heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden kennis genomen van het feit dat een van de partijen tevens raadsheer-plaatsvervanger is bij dit hof.

Vanwege deze betrokkenheid en ter voorkoming van belangenverstrengeling heeft het hof op grond van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie besloten de zaak voor verdere behandeling te verwijzen naar het Gerechtshof Amsterdam, dat volgens het Zaaksverdelingsreglement van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor dit doel is aangewezen.

De zaak betrof een hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. De geïntimeerden zijn niet verschenen en verstek is verleend. Het arrest is gewezen door drie rechters, waarbij de voorzitter afwezig was en het arrest is ondertekend door een van de rechters.

De beslissing houdt in dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geen inhoudelijke uitspraak doet, maar de zaak overdraagt aan een ander gerechtshof om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak te waarborgen.

Uitkomst: De zaak is verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling vanwege betrokkenheid van een raadsheer-plaatsvervanger.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof: 200.259.913
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 425424)
arrest van 18 juni 2019
in de zaak van
[appellant]in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nedfiber B.V.,
kantoorhoudende te Venlo,
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. B.P.W. van Brink,
tegen:

1.[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[geïntimeerde] ,
zonder bekende vaste woon- en of verblijfplaats in Nederland,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Readen Infra B.V.,
gevestigd te Hilversum,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Readen Investment Ltd,
gevestigd te Tsuan Wan, Hong Kong,
geïntimeerden,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna: [geïntimeerden] ,
niet verschenen.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
20 februari 2019 dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht heeft gewezen.

2.2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 13 mei 2019;
- het aanbrengen van de zaak bij dit hof door [appellant] op de in die dagvaarding aangezegde roldatum 4 juni 2019;
- de verstekverlening tegen [geïntimeerden] op die roldatum;
- de verwijzing van de zaak naar de rol voor het wijzen van arrest.

3.De beoordeling

3.1
Het hof heeft kennis genomen van het feit dat een van partijen, [appellant] , raadsheer-plaatsvervanger is bij dit hof.
3.2
Nu het hof op deze wijze betrokkenheid bij de zaak heeft, zal het hof op grond van
artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie de zaak voor verdere behandeling verwijzen naar het gerechtshof Amsterdam, welk hof voor dit doel is aangewezen in het Zaaksverdelingsreglement van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gepubliceerd in
Staatscourant2014 nr. 11037.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
verwijst de zaak ter verdere behandeling naar het gerechtshof Amsterdam.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, H. Wammes en C.J.H.G. Bronzwaer, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. C.J.H.G. Bronzwaer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2019.