Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
[Z](hierna: belanghebbende)
heffingsambtenaarvan de
Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht(hierna: de heffingsambtenaar)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende is eigenaar van een verzorgings-/verpleegtehuis dat deels bestaat uit zit-/slaapkamers voor bewoners en verkeersruimten zoals gangen en trappenhuizen. De vraag in hoger beroep was of de onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dient in de zin van artikel 220a van de Gemeentewet, wat bepaalt dat 70 procent of meer van de waarde moet worden toegerekend aan woondoeleinden.
Partijen waren het eens over de kwalificatie van de zit-/slaapkamers als woning, maar verschilden over de verkeersruimten. Belanghebbende stelde dat deze verkeersruimten volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden omdat ze enkel leiden naar de woonkamers, terwijl de heffingsambtenaar betoogde dat deze ruimten ook door personeel worden gebruikt en dus niet volledig dienstbaar zijn.
Het hof oordeelde dat verkeersruimten niet als woning dienen en dat het meer dan incidentele gebruik door personeel betekent dat deze ruimten niet volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Het arrest van de Hoge Raad van 2018 werd besproken, maar leidde niet tot een ander oordeel. Omdat minder dan 70 procent van de waarde aan woondoeleinden kan worden toegerekend, is het pand niet in hoofdzaak woning en is de aanslag terecht vastgesteld naar het niet-woningentarief.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag naar het niet-woningentarief bevestigd.