ECLI:NL:GHARL:2019:5496
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheren wegens vermeende vooringenomenheid
In deze zaak diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren J. Hielkema, J. Dolfing en L.J. Bosch van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit verzoek volgde op de afwijzing van een laat ingediend verzoek om getuigen te horen in een strafzaak. Verzoeker stelde dat deze beslissing onrechtvaardig was en dat er sprake was van vooringenomenheid.
De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde gronden onvoldoende zijn om de onpartijdigheid van de rechters in twijfel te trekken. De kamer benadrukte dat wraking niet kan worden gebruikt als verkapt middel tegen onwelgevallige procesbeslissingen en dat de motivering van het hof niet zodanig onbegrijpelijk was dat vooringenomenheid kon worden vermoed.
Daarnaast werden andere aangevoerde gronden die betrekking hadden op eerdere zaken van verzoeker niet inhoudelijk behandeld omdat deze geen betrekking hadden op de behandelende raadsheren. De wrakingskamer concludeerde dat geen feiten of omstandigheden aanwezig waren die de schijn van vooringenomenheid rechtvaardigen.
De wrakingskamer wees het verzoek tot wraking af en sprak de beslissing in het openbaar uit op 1 juli 2019. Hiermee werd bevestigd dat de behandeling door de raadsheren onpartijdig en volgens de regels van het procesrecht is verlopen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren is afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid.