Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[geïntimeerde in incidenteel hoger beroep 1] ,
[bewindvoerder ]in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van:
[geïntimeerde in incidenteel hoger beroep 3],
3.De slotsom
€ 3.222,-
€ 1.611,-
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de geldigheid van de uiterste wilsbeschikkingen in het testament van een erflater met een erfelijk bepaalde verstandelijke handicap centraal. De stichting, als principaal appellant, trok haar hoger beroep in, waardoor haar verweer tegen het incidenteel hoger beroep kwam te vervallen.
Het incidenteel hoger beroep betrof de stelling dat erflater nooit geestelijk bekwaam was om de betekenis en rechtsgevolgen van zijn testament te bevatten. Dit werd onderbouwd met een psychologisch rapport uit 2008, een DNA-onderzoek waaruit een chromosoomafwijking bleek, en een verklaring van een kinderarts gespecialiseerd in genetica.
Gezien de intrekking van het verweer in het incidenteel hoger beroep werden deze stellingen niet langer betwist. Het hof concludeerde dat erflater door zijn geestelijke stoornis niet in staat was tot een redelijke waardering van zijn belangen bij het opstellen van het testament, waardoor de uiterste wilsbeschikkingen nietig zijn op grond van artikel 3:34 lid 2 BW Pro.
Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de uiterste wilsbeschikkingen betrof, verklaarde de stichting niet ontvankelijk in haar principaal hoger beroep, en veroordeelde haar in de kosten van het hoger beroep. De proceskostenveroordeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof verklaart het testament nietig wegens wilsonbekwaamheid van de erflater en verklaart de stichting niet ontvankelijk in haar principaal hoger beroep.