In deze zaak is hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep van betrokkene tegen de officier van justitie ongegrond verklaarde wegens niet-tijdige indiening van het administratief beroep tegen een inleidende beschikking van het CJIB.
Het hof oordeelt dat de kantonrechter ten onrechte de beslissing van de officier van justitie in stand heeft gelaten omdat sprake was van een schending van de hoorplicht. De officier van justitie had betrokkene moeten horen over de reden van de te late indiening van het beroep, ook als in het beroepschrift geen reden was vermeld.
Vervolgens beoordeelt het hof de tijdigheid van het beroep tegen de inleidende beschikking. Hoewel betrokkene stelde de beschikking pas op 30 december 2016 te hebben ontvangen, acht het hof op basis van het zaakoverzicht en de verzendpraktijk van het CJIB aannemelijk dat de beschikking op 12 november 2016 is verzonden en binnen de beroepstermijn ontvangen. De beroepstermijn eindigde derhalve op 27 december 2016. Het beroepschrift van 3 januari 2017 is te laat ingediend en niet ontvankelijk.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen omdat betrokkene niet tijdig contact heeft opgenomen met het CJIB om een nieuwe beschikking te verkrijgen. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, wijst het hof het verzoek om proceskostenvergoeding af.