De vrouw verzocht om verlenging van de partneralimentatie die zij van de man ontvangt, nadat de wettelijke termijn van twaalf jaar was verstreken. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de vrouw in hoger beroep ging. Het hof overwoog dat de alimentatieverplichting na twaalf jaar in principe eindigt, tenzij sprake is van een uitzonderlijke situatie.
De vrouw was sinds 1997 volledig arbeidsongeschikt en had een laag opleidingsniveau en beperkt arbeidsverleden. Ondanks haar situatie was het hof van oordeel dat zij haar levensstijl kan afstemmen op het inkomen dat zij ontvangt, mede door een hogere huurtoeslag sinds het jongste kind uit huis is gegaan. De inkomensachteruitgang door het wegvallen van de alimentatie werd als ingrijpend beoordeeld, maar gecompenseerd door de toeslag.
Het hof concludeerde dat de vrouw geen omstandigheden had aangevoerd die een verlenging van de alimentatieverplichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen. De vrouw had voldoende tijd gehad om zich voor te bereiden op het einde van de alimentatie. Daarom werd het verzoek afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.