ECLI:NL:GHARL:2019:7022
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek schorsing uitleveringsdetentie na toestemming minister
De opgeëiste persoon werd op 22 januari 2018 in verzekering gesteld naar aanleiding van een uitleveringsverzoek van Turkije. De rechtbank Gelderland schortte aanvankelijk de uitleveringsdetentie, maar verklaarde op 2 maart 2018 de uitlevering toelaatbaar. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep tegen deze beslissing op 6 november 2018.
Op 5 juni 2019 gaf de minister van Justitie en Veiligheid toestemming voor uitlevering en stelde de officier van justitie hiervan in kennis. De opgeëiste persoon werd op 27 juni 2019 aangehouden. De rechtbank verlengde op 12 juli 2019 de gevangenhouding met 30 dagen en wees het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie af.
De opgeëiste persoon diende op 28 juni 2019 een civiel verzoek in om de uitlevering onrechtmatig te verklaren, dat op 28 augustus 2019 zou worden behandeld. De raadsvrouw verzocht het hof om de uitleveringsdetentie opnieuw te schorsen, maar de advocaat-generaal verzette zich hiertegen op grond van artikel 56 van Pro de Uitleveringswet.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 56 lid 1 Uitleveringswet Pro schorsing van uitleveringsdetentie niet mogelijk is nadat de minister de uitlevering heeft toegestaan en de officier van justitie hiervan in kennis is gesteld. Gezien de korte duur van de detentie (vier dagen) en het aanhangige civiele geding zag het hof geen reden af te wijken van deze wettelijke regeling. Het hof bevestigde daarom de beschikking van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof bevestigt de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie na toestemming van de minister.