In deze verzekeringszaak stond centraal of de verzekerde zijn auto opzettelijk te water had laten raken. Het hof heeft op grond van feiten en omstandigheden, waaronder inconsistenties in de verklaringen van verzekerde en rapportages van deskundigen, voorshands bewezen geacht dat de auto opzettelijk te water is gelaten. Verzekerde mocht tegenbewijs leveren, maar zijn verklaringen en het ingebrachte videomateriaal konden het bewijsvermoeden niet ontzenuwen.
De verklaringen van verzekerde waren tegenstrijdig en strookten niet met de technische rapporten van CED, die rolproeven uitvoerden met vergelijkbare auto's. Ook de getuigenverklaring van een passagier was onvoldoende geloofwaardig. Het hof oordeelde dat verzekerde onrechtmatig heeft gehandeld jegens ASR en aansprakelijk is voor de kosten van het onderzoek en de berging.
De vorderingen van verzekerde werden afgewezen. Hij werd veroordeeld tot terugbetaling van door ASR betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente, en tot betaling van een schadevergoeding van €15.710,61 plus rente. Tevens werd hij veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad en het vonnis van de rechtbank werd vernietigd.