In deze zaak stond de opheffing van het bewind over de goederen van verzoeker centraal. De kantonrechter had het bewind per 15 februari 2019 opgeheven vanwege onwerkbaarheid, omdat de vader als bewindvoerder niet tijdig de gevraagde financiële stukken had overgelegd. Verzoekers kwamen hiertegen in hoger beroep en stelden dat de vader wel degelijk had meegewerkt en dat de opheffing hen als een verrassing kwam.
Het hof oordeelde dat niet is komen vast te staan dat de noodzaak tot onderbewindstelling is komen te vervallen. Verzoeker is duurzaam niet in staat zijn vermogensrechtelijke belangen zelf te behartigen. Hoewel de vader tekort was geschoten in het aanleveren van stukken, is het niet bewezen dat verzoeker niet met een professionele bewindvoerder zou samenwerken. Daarom vernietigde het hof de beschikking tot opheffing van het bewind en stelde het het bewind met onmiddellijke ingang opnieuw in.
Tegelijk benoemde het hof de vader voorlopig tot bewindvoerder, maar verwees het de zaak ambtshalve terug naar de kantonrechter voor de benoeming van een professionele bewindvoerder. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.