Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en vader zijn gezamenlijk gezagdragers over twee minderjarige kinderen die onder toezicht zijn gesteld en met een machtiging uit huis geplaatst. De gecertificeerde instelling heeft verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 15 maart 2019.
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de verlenging van beide maatregelen, maar tijdens de mondelinge behandeling gaf zij aan alleen bezwaar te maken tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof verklaart haar daarom niet-ontvankelijk in het beroep tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.
De moeder stelt dat haar financiële situatie is verbeterd, zij meewerkt aan urinecontroles vanwege vermeend drugsgebruik, en dat zij en de vader een stabiele woon- en werksituatie hebben. De gecertificeerde instelling betwist deze verbeteringen. Het hof concludeert dat de moeder onvoldoende bewijs heeft geleverd van een stabiele en veilige opvoedomgeving. De woonplaats van de ouders is wisselend en niet duurzaam, er is geen duidelijkheid over het drugsgebruik en de schulden, en er zijn geen bewijsstukken over inkomen en schulden.
Het hof bekrachtigt daarom de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en verklaart het hoger beroep van de moeder tegen de ondertoezichtstelling niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het hof verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het beroep tegen de ondertoezichtstelling en bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.