Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, [kind 1] en [kind 2], waarbij de moeder de verlenging aanvecht. De kinderen zijn sinds respectievelijk 2015 en 2017 onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling (GI) vanwege huiselijk geweld en problematiek in de thuissituatie.
De moeder stelt dat sinds het laatste incident in november 2018 geen nieuwe incidenten zijn voorgevallen en dat zij actief meewerkt aan hulpverlening, waaronder EMDR-therapie en intensieve opvoedondersteuning. Zij betoogt dat de relatie met de vader geen ernstige bedreiging vormt en dat de ondertoezichtstelling niet langer nodig is.
De GI benadrukt dat de kinderen door eerdere geweldsincidenten schade hebben opgelopen en dat de thuissituatie stabiel moet blijven. De moeder kampt met depressieve en angstklachten en vertoont weinig affectie naar de kinderen. De hulpverleningstrajecten zijn recent gestart en nog niet afgerond, waardoor voortdurende regie en toezicht noodzakelijk zijn.
Het hof oordeelt dat de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling aanwezig blijven. De problematiek van de moeder, de voortzetting van de relatie met de vader en de noodzaak om de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen te waarborgen, rechtvaardigen de verlenging. Het verzoek van de moeder om slechts zes maanden verlenging wordt afgewezen omdat afronding van de hulpverlening niet binnen die termijn verwacht wordt.
De bestreden beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en het verzoek van de moeder wordt afgewezen.
Uitkomst: De verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen tot 7 april 2020 wordt bekrachtigd.