ECLI:NL:GHARL:2019:7568
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling eenzijdig wijzigingsbeding in kredietovereenkomst als oneerlijk beding
In deze civiele zaak stond de kredietovereenkomst tussen appellant en ABN AMRO centraal, waarbij appellant bezwaar maakte tegen een eenzijdig wijzigingsbeding in de kredietvoorwaarden.
Het hof stelde vast dat ABN AMRO haar zorgplicht had nageleefd bij de kredietverstrekking en dat appellant zijn financiële situatie rooskleuriger had voorgesteld dan feitelijk was. Vervolgens onderzocht het hof ambtshalve of het wijzigingsbeding onredelijk bezwarend was volgens artikel 6:233 BW Pro en Richtlijn 93/13/EEG.
Het hof kwalificeerde het rentepercentage als kernbeding, maar het eenzijdig wijzigingsrecht van ABN AMRO niet. Dit wijzigingsbeding gaf ABN AMRO de bevoegdheid om zonder opgave van redenen het rentepercentage te wijzigen tot maximaal 21%, zonder transparantie over het mechanisme of de redenen van wijziging.
Hierdoor werd het evenwicht tussen rechten en verplichtingen aanzienlijk verstoord ten nadele van appellant. Het hof oordeelde dat dit beding oneerlijk was en vernietigde het. De kredietvergoeding wordt vastgezet op het oorspronkelijke percentage van 8,5%, en ABN AMRO moet haar vordering herberekenen indien zij van het wijzigingsbeding gebruik heeft gemaakt.
De zaak werd verwezen naar een rolzitting voor nadere processtukken en reactie van partijen.
Uitkomst: Het eenzijdig wijzigingsbeding in de kredietovereenkomst is vernietigd en de kredietvergoeding wordt vastgezet op 8,5%.