ECLI:NL:GHARL:2020:2338
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over vernietiging rentewijzigingsbeding en herberekening rente
In deze civiele zaak stond het rentewijzigingsbeding in een kredietovereenkomst tussen [appellant] en ABN AMRO Bank N.V. centraal. Het hof oordeelde dat het beding dat ABN AMRO het recht gaf om het rentepercentage eenzijdig te wijzigen, een oneerlijk beding was in de zin van Richtlijn 93/13 en artikel 6:233 sub a BW Pro, en daarom buiten toepassing moest blijven. Hierdoor bleef het oorspronkelijke rentepercentage van 8,5% per jaar van kracht.
ABN AMRO kreeg de gelegenheid haar vordering opnieuw te berekenen op basis van dit vaste rentepercentage. De bank leverde een herberekening over de periode van 14 oktober 2012 tot oktober 2015, waaruit bleek dat zij € 2.552,56 teveel rente had berekend. Dit bedrag werd in mindering gebracht op de hoofdsom, waarna de wettelijke rente vanaf 15 november 2015 werd herberekend. [Appellant] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze berekening.
Voor de periode van vóór 14 oktober 2012 kon ABN AMRO geen bankafschriften overleggen vanwege de wettelijke bewaarplicht van zeven jaar. Het hof oordeelde dat de bank het risico draagt van het ontbreken van bewijs voor die periode en in principe ook te veel berekende rente moet restitueren. ABN AMRO stelde echter dat dit nadeel werd gecompenseerd doordat zij geen vertragingsvergoeding, maar wettelijke rente vordert. Dit standpunt werd door het hof gevolgd omdat [appellant] dit niet betwistte.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vordering van ABN AMRO toe zoals verminderd in haar akte na tussenarrest. Tevens werd [appellant] veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het arrest werd op 17 maart 2020 uitgesproken.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van ABN AMRO toe met een aangepaste renteherberekening.