ECLI:NL:GHARL:2019:7646

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 september 2019
Publicatiedatum
19 september 2019
Zaaknummer
200.250.314
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:448 lid 2 BWArt. 432 BWRegeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep bewind: geen gewichtige reden voor ontslag bewindvoerder

In deze civiele zaak betreffende bewindvoering stond de vraag centraal of de bewindvoerder ambtshalve ontslag moest krijgen wegens vermeende tekortkomingen. De kantonrechter had eerder geoordeeld dat de bewindvoerder een te hoge vergoeding had gedeclareerd en dat het vermogen van de rechthebbende sterk was gedaald, wat aanleiding was voor ontslag.

Het hof onderzocht deze punten nader. Het constateerde dat hoewel de declaratie hoger was dan de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren toestaat, dit op zichzelf geen gewichtige reden vormt voor ontslag. Daarnaast bleek dat het vermogen van de rechthebbende niet daadwerkelijk was gedaald, mede doordat een hypothecaire lening van €100.000,- met zekerheid op het woonhuis van de bewindvoerder was gevestigd en andere beleggingen en erfenissen het vermogen ondersteunen.

Het hof bekrachtigde de kantonrechterlijke beschikking voor de periode tot 29 januari 2019, maar vernietigde deze voor de periode daarna en benoemde de bewindvoerder opnieuw. Hiermee werd bevestigd dat er geen gegronde reden is om de bewindvoerder te ontslaan, ondanks eerdere zorgen over de financiële afwikkeling.

Uitkomst: De bewindvoerder wordt opnieuw benoemd omdat er geen gewichtige reden is voor ontslag.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.250.314/01 (bewind)
(zaaknummer rechtbank Gelderland 7287140)
beschikking van 19 september 2019
inzake
[verzoeker],
wonende te [A]
verzoeker,
verder te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. M.J.J.M. van Roosmalen te Emmen.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de rechthebbende],
wonende te [B] ,
verder te noemen: de rechthebbende,
en
[de opvolgende bewindvoerder],
wonende te [C]
opvolgend bewindvoerder,
verder te noemen: de opvolgend bewindvoerder.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 25 april 2019 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een journaalbericht van mr. Van Roosmalen van 13 juni 2019 met producties.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Op grond van artikel 1:448 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een bewindvoerder ontslag verleend hetzij op eigen verzoek hetzij wegens gewichtige redenen of omdat de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van een medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve. In dit hoger beroep is de vraag aan de orde of er gewichtige redenen zijn om (ambtshalve) ontslag te verlenen.
2.2
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 25 april 2019, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.3
In die beschikking is onder meer het volgende overwogen en beslist:
“4.1 (…) De kantonrechter heeft naar aanleiding van de rekening en verantwoording onder meer vastgesteld dat de bewindvoerder een te hoge bewindvoerdersbeloning heeft gedeclareerd bij de rechthebbende, te weten € 1.500,- in plaats van € 1.078,- waarop de bewindvoerder ingevolge de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren recht heeft. Daarnaast heeft de kantonrechter vastgesteld dat het vermogen van de rechthebbende, dat in 2017 op enig moment ruim € 190.000,- heeft bedragen, thans nog € 352,- bedraagt. De kantonrechter heeft in het voorgaande aanleiding gezien de bewindvoerder ambtshalve te ontslaan (…).
(…)
5.1
In de gelijktijdig behandelde zaak met zaaknummer 200.246.875 heeft het hof op 18 april 2019 een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking gegeven, waarbij de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 11 juni 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, is vernietigd en, opnieuw beschikkende, de bewindvoerder machtiging is verleend tot het lenen van een bedrag van € 100.000,- uit het vermogen van de rechthebbende tegen een marktconforme rente, onder het vestigen van een hypothecaire zekerheid op de woning van de bewindvoerder aan [a-straat 1] , [A] .
5.2
Het hof acht voor de beoordeling van de vraag of de bewindvoerder al dan niet ontslagen dient te worden van belang of de onder 5.1 genoemde hypothecaire zekerheid op de woning van de bewindvoerder aan [a-straat 1] , [A] ten behoeve van een lening van € 100.000,- uit het vermogen van de rechthebbende ook daadwerkelijk gevestigd is. Het hof zal daarom de behandeling van de zaak aanhouden voor de duur van twee maanden vanaf heden teneinde de bewindvoerder in de gelegenheid te stellen deze hypotheek te vestigen. De bewindvoerder dient vóór 18 juni 2019 alle stukken ten aanzien van de gevestigde hypotheek bij het hof in te dienen. Daarna krijgt de opvolgend bewindvoerder twee weken de gelegenheid hierop te reageren, waarna het hof in beginsel zonder nieuwe mondelinge behandeling een beslissing zal nemen in deze zaak”.
2.4
Bij journaalbericht van 13 juni 2019 van mr. Van Roosmalen heeft de bewindvoerder een hypotheekakte overgelegd met daarin opgenomen de overeenkomst tot vestiging van hypotheek en pand ten behoeve van de rechthebbende op het woonhuis aan [a-straat 1] , [A] , tot zekerheid van een geldlening van € 100.000,- van de rechthebbende aan de bewindvoerder tegen 2,6% rente, binnen 20 jaar te voldoen in maandelijkse termijnen, voor het eerst op 1 juni 2019, met aflossing van de hoofdsom en betaling van de rente door middel van annuïteiten, waarbij de annuïteiten € 534,79 bedragen. Bij voormeld journaalbericht is tevens overgelegd een polis overlijdensrisico, waarin is opgenomen dat bij overlijden van de bewindvoerder een verzekerd bedrag van € 175.000,- aan de rechthebbende wordt uitbetaald.
2.5
Grief A is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de bewindvoerder een te hoog bedrag als beloning heeft opgevoerd. De bewindvoerder stelt dat er veel noodzakelijke kilometers door hem zijn gemaakt en dat in de voorgaande jaren deze kosten ook zijn goedgekeurd, zodat uit dit feit niet kan worden geconcludeerd dat hij zijn taak als bewindvoerder niet naar behoren heeft uitgevoerd. Het hof stelt vast dat de door de bewindvoerder opgevoerde beloning hoger is dan de beloning waarop de bewindvoerder ingevolge de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren recht heeft. Het hof is echter van oordeel dat dit feit op zichzelf, mede gelet op hetgeen hierover door de bewindvoerder naar voren is gebracht, geen gewichtige reden is om de bewindvoerder (ambtshalve) ontslag te verlenen, zodat deze grief slaagt.
2.6
Grief B richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het vermogen van de rechthebbende, dat in 2017 op enig moment ruim € 190.000,- heeft bedragen, thans nog maar € 352,- bedraagt. De bewindvoerder stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft gesteld dat dit vermogen is teruggelopen, nu de kantonrechter bij beschikking van 11 juni 2018 machtiging heeft verleend voor een schenking van € 30.000,- uit het vermogen van de rechthebbende aan de bewindvoerder, de bewindvoerder ten behoeve van de rechthebbende voor € 50.000,- belegd heeft in groene beleggingen, er nog € 25.000,- geërfd vermogen van de rechthebbende op de rekening van de overledene Van der Zwaan staat en een schenking of hypothecaire lening ten bedrage van € 100.000,- nog deel uitmaakt van een juridische procedure.
2.7
Zoals opgenomen onder 2.3 heeft het hof in de zaak met zaaknummer 200.246.875 een oordeel gegeven over de € 100.000,- schenking of hypothecaire geldlening. Het hof heeft de bewindvoerder daarbij machtiging verleend tot het lenen van een bedrag van € 100.000,- uit het vermogen van de rechthebbende tegen een marktconforme rente, onder het vestigen van een hypothecaire zekerheid op de woning van de bewindvoerder aan [a-straat 1] , [A] . Zoals blijkt uit het journaalbericht van 13 juni 2019 van mr. Van Roosmalen is deze hypothecaire zekerheid ook daadwerkelijk gevestigd onder de voorwaarden zoals door het hof gesteld in de beschikking van 25 april voornoemd. Het vermogen van de rechthebbende is door deze lening niet omlaag gegaan, maar groeit zelfs door de rente die de bewindvoerder over de lening aan de rechthebbende zal betalen. Voor de schenking van € 30.000,- van de rechthebbende aan de bewindvoerder is door de kantonrechter een machtiging verleend. Ten aanzien van de groene beleggingen voor € 50.000,- en het geërfde vermogen dat nog op de rekening van de overledene staat heeft de bewindvoerder voldoende onderbouwd dat deze bedragen niet in mindering zijn gekomen op het vermogen van de rechthebbende. Het hof is van oordeel dat de grief slaagt en dat er geen gewichtige redenen zijn om de bewindvoerder (ambtshalve) ontslag te verlenen.
2.8
Bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden beschikking is de bewindvoerder met ingang van 1 december 2018 als bewindvoerder ontslagen en is met ingang van diezelfde datum tot opvolgend bewindvoerder ten behoeve van de rechthebbende benoemd [de opvolgende bewindvoerder] . Bij beschikking van dit hof van 29 januari 2019 is de werking van de bestreden beschikking met ingang van 29 januari 2019 geschorst. Nu de opvolgend bewindvoerder in de tussenliggende tijd het beheer van de rekeningen heeft overgenomen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor de periode tot 29 januari 2019 en de
bestreden beschikking voor de periode vanaf 29 januari 2019 vernietigen, en de bewindvoerder vanaf 29 januari 2019 weer benoemen tot de bewindvoerder ten behoeve van de rechthebbende.

3.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 november 2018, voor de periode tot 29 januari 2019
en
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 november 2018, voor de periode vanaf 29 januari 2019 en opnieuw beschikkende:
benoemt met ingang van 29 januari 2019 [verzoeker] als bewindvoerder ten behoeve van de rechthebbende.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, R. Feunekes en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. M. Vodegel als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. Feunekes, en is op 19 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.