Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[stichting],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak vordert de werkgever, een stichting, nakoming van een concurrentiebeding dat een werknemer verbiedt om na het einde van het dienstverband bij een concurrerende onderneming binnen een straal van 30 kilometer te werken. De werknemer is na beëindiging van haar dienstverband inderdaad bij een concurrent in dienst getreden.
De kantonrechter heeft in kort geding de werking van het concurrentiebeding geschorst omdat de werkgever onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij door het vertrek van de werknemer schade lijdt aan haar bedrijfsdebiet. Het hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat het concurrentiebeding bedoeld is om de opgebouwde knowhow en goodwill van de werkgever te beschermen, niet om werknemers te binden.
Het hof stelt dat het enkele feit dat een werknemer kennis en ervaring meeneemt inherent is aan het vertrek en dat de werkgever geen bijzondere, concurrentiegevoelige informatie heeft aangetoond. De belangenafweging leidt tot de conclusie dat het belang van de werknemer om vrij te zijn in haar arbeidskeuze zwaarder weegt dan het belang van de werkgever bij handhaving van het beding.
Daarom wordt het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en wordt de werkgever veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de schorsing van het concurrentiebeding en wijst de vorderingen van de werkgever af.