Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de vernietiging van de erkenning van vaderschap door de man van zijn kind, geboren in 2004. De rechtbank had de erkenning vernietigd en de kosten van een DNA-onderzoek verdeeld. De vrouw en de bijzondere curator kwamen in hoger beroep tegen deze beslissing.
Het hof oordeelt dat de man niet heeft bewezen dat sprake is van dwaling bij de erkenning, omdat hij niet kon aantonen dat hij ten tijde van de erkenning niet wist dat hij niet de biologische vader was. Zelfs als er sprake zou zijn van dwaling, weegt het belang van het kind zwaar mee. Het kind heeft een warme hechtingsband met de man en bevindt zich in een cruciale fase van identiteitsontwikkeling. Vernietiging van de erkenning zou ingrijpende gevolgen hebben voor de identiteit en het gezinsleven van het kind.
Daarom is de inmenging in het familie- en gezinsleven niet proportioneel en wordt het verzoek tot vernietiging van de erkenning afgewezen. De kosten van het DNA-onderzoek en de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd tussen partijen, gezien hun relatie en het gezamenlijke ouderschap. Het verzoek van de bijzondere curator tot aanvullend onderzoek wordt eveneens afgewezen.
Het hof vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank, behoudt de erkenning van de man en compenseert de proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vernietiging van de erkenning af en compenseert de proceskosten in hoger beroep.