Belanghebbende, een Roemeense ingezetene die sinds 2009 in Nederland staat ingeschreven, kreeg een naheffingsaanslag en verzuimboete opgelegd voor het niet betalen van motorrijtuigenbelasting over een in Nederland gebruikt voertuig met Roemeens kenteken. De Inspecteur stelde dat belanghebbende zijn hoofdverblijf in Nederland had, mede vanwege zijn inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) en het feit dat hij in Nederland werkte.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond maar vernietigde de boetebeschikking omdat het standpunt van belanghebbende over zijn hoofdverblijf pleitbaar was. Zowel belanghebbende als de Inspecteur gingen in hoger beroep. Het Hof onderzocht de feiten, waaronder het gebruik van de auto in Nederland, de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, de arbeidsrelatie in Nederland en de persoonlijke en beroepsmatige bindingen van belanghebbende.
Het Hof oordeelde dat het centrum van de beroepsmatige bindingen in Nederland lag, maar dat belanghebbende aannemelijk had gemaakt dat zijn persoonlijke bindingen, waaronder familie, woning en sociale leven, in Roemenië waren. Gezien het EU-recht en de richtlijn 83/182/EEG is aan de persoonlijke bindingen voorrang gegeven bij de bepaling van het hoofdverblijf. Hierdoor was het hoofdverblijf van belanghebbende niet in Nederland gelegen, waardoor de naheffingsaanslag en boetebeschikking niet terecht waren opgelegd.
Het Hof vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van de Inspecteur, en veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.