Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant sub 1] ,
[appellant sub 2],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het hoger beroep betreft een geschil tussen het echtpaar appellanten en Aegon over de informatie- en zorgplicht bij drie beleggingsverzekeringen afgesloten tussen 1988 en 1998. Appellanten stellen dat Aegon hen onvoldoende heeft geïnformeerd over de inhouding van kosten en risicopremies, waardoor het belegde bedrag lager was dan verwacht en de kans op aflossing van de hypotheek en pensioen kleiner was.
De rechtbank wees de vorderingen af, en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof overweegt dat de destijds geldende wet- en regelgeving, waaronder de Riav 1994 en de Code Rendement en Risico 1996, geen verplichting oplegden om inzicht te geven in de kostenstructuur. Ook de open normen in het maatschappelijk verkeer brachten geen verdergaande informatieplicht mee. De voorbeeldkapitalen hielden rekening met alle kosten en premies, wat volgens het hof voldoende transparantie bood.
Het hof gaat niet mee in het betoog dat Aegon vanwege een adviesrelatie een hogere zorgplicht had. De interne adviseurs boden slechts een extra service en appellanten hadden moeten begrijpen dat zij geen ongebonden adviseurs waren. Tevens is onvoldoende onderbouwd dat er alternatieve producten waren met dezelfde zekerheid en betere beleggingsresultaten. Het beroep op dwaling faalt eveneens omdat geen vernietiging is gevorderd.
De slotsom is dat het hoger beroep faalt, het bestreden vonnis wordt bekrachtigd en appellanten worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep en nakosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellanten tegen Aegon wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.