ECLI:NL:GHARL:2019:8390

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 oktober 2019
Publicatiedatum
11 oktober 2019
Zaaknummer
Wahv 200.225.642/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:17 AwbArt. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie parkeren op gehandicaptenparkeerplaats ondanks plaatsing verkeersbord

De betrokkene is administratief gesanctioneerd wegens parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder het daarvoor bestemde voertuig. Tegen deze sanctie werd beroep ingesteld bij de kantonrechter, die het beroep ongegrond verklaarde. De betrokkene ging in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de hoorplicht was geschonden en dat het verkeersbord E6 niet conform het Verdrag van Wenen was geplaatst, waardoor de sanctie onterecht zou zijn. Het hof oordeelde dat de betrokkene geen verzoek tot hoorzitting had ingediend en dat de officier van justitie daarom terecht van hoorzitting kon afzien. Ook stelde het hof vast dat het verkeersbord zodanig was geplaatst dat het duidelijk was dat het betrekking had op het direct aangrenzende parkeervak.

Het hof verwierp het argument dat het Verdrag van Wenen directe rechten aan burgers verleent, aangezien het verdrag verplichtingen oplegt aan lidstaten en niet rechtstreeks werking heeft. De door de betrokkene overgelegde foto's bevestigden de situatie ter plaatse. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De administratieve sanctie voor parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats wordt bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.225.642/01
CJIB-nummer
: 201689957
Uitspraak d.d.
: 11 oktober 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 25 september 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie had moeten vernietigen wegens schending van de hoorplicht. Hij verwijst hierbij naar het arrest van het hof van 19 april 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:3338).
2. Het hof stelt vast dat de betrokkene zelf op 13 oktober 2016 via het Digitaal Loket administratief beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking. In het beroepschrift is niet verzocht om te worden gehoord.
3. In het arrest waarnaar de gemachtigde heeft verwezen is naar voren gekomen dat de rechtsmiddelenverwijzing op de inleidende beschikking in die zaak op inadequate wijze tot uitdrukking brengt wat het recht om te worden gehoord inhoudt. Het is het hof echter ambtshalve bekend dat de tekst omtrent het horen op de inleidende beschikking medio 2014 is gewijzigd. (vgl. het arrest van dit hof van 23 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2939). De inleidende beschikking in deze zaak dateert van 6 oktober 2016. De stelling dat de in het arrest van 19 april 2017 aangehaalde passage de oorzaak is dat de betrokkene niet heeft verzocht om te worden gehoord mist derhalve feitelijke grondslag. Nu de betrokkene niet heeft verzocht om te worden gehoord, mocht de officier van justitie op grond van het bepaalde in artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht daarvan afzien. De kantonrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat geen sprake is van schending van de hoorplicht.
4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 370,- opgelegd ter zake van “parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”, welke gedraging zou zijn verricht op 15 september 2016 om 19:33 uur op de Boekweitstraat te Groningen met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
5. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat het verkeersbord niet in overeenstemming met het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens is geplaatst. Dit verdrag bepaalt namelijk dat een bord als dit parallel aan de wegas moet worden geplaatst. Ook moet kenbaar zijn op welk parkeerplaats de bebording betrekking heeft. Volgens de gemachtigde was dat hier niet het geval. Daarom is de sanctie onterecht opgelegd. De gemachtigde wijst verder op het ontbreken van een ambtsedige verklaring of een ander rechtsgeldig bewijsstuk. Dat moet leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking.
6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. Anders dan de gemachtigde betoogt, schrijft geen geen rechtsregel voor dat een ambtsedige verklaring van een ambtenaar nodig is om te kunnen vaststellen dat een gedraging is verricht.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld.
8. Eerder in de procedure zijn door de betrokkene foto's ingestuurd. Nu het tegendeel niet is gebleken, gaat het hof ervan uit dat deze foto's de situatie ter plaatse weergeven. Op de foto is een parkeerstrook langs de weg te zien. Aan het begin van het eerste parkeervak staat op het trottoir een verkeersbord. Uit de verklaring van de betrokkene en het deels zichtbare onderbord, met daarop een kenteken, leidt het hof af dat dit kennelijk het bord E6 (gehandicaptenparkeerplaats) betreft. Dit bord is, zoals de meeste verkeersborden, haaks op de weg gepositioneerd.
9. Het verkeersbord E6 is zodanig geplaatst, dat voor de gemiddelde weggebruiker duidelijk behoort te zijn dat dit bord gelding heeft voor het direct daaraan gelegen parkeervak. Daarmee is het verbod voor andere voertuigen om daar te parkeren deugdelijk aangegeven. Wat de gemachtigde met betrekking tot het Verdrage inzake verkeerstekens heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Aan dit verdrag komt geen rechtstreekse werking toe. Uit de bepalingen van dit verdrag volgt dat het verdrag verplichtingen op de lidstaten legt om de wetgeving in overeenstemming te brengen met de voorzieningen in het verdrag. Het verdrag strekt er niet toe om rechtstreeks te werken in die zin dat burgers rechtstreeks rechten kunnen ontlenen aan het verdrag.
10. De verweren missen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
11. Het voorgaande brengt mee dat het verzoek om een kostenvergoeding wordt afgewezen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.