De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een bedrijfsgebouw, gebruikt als dagactiviteitencentrum voor mensen met een verstandelijke en lichamelijke beperking, vast op €1.631.000. Belanghebbende betwistte deze waarde en stelde dat een lagere waarde van €1.344.000 correct was. Het geschil spitste zich toe op de juiste toepassing van het archetype, de onderbouwing van kengetallen, de levensduurverlenging van installaties en de functionele veroudering.
Het hof oordeelde dat het archetype N38 passend was voor het gebruik van het pand en dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de gehanteerde kengetallen marktconform waren. De levensduurverlenging van de installaties werd gerechtvaardigd geacht vanwege het normale functioneren en het actuele meerjarenonderhoudsplan. Daarnaast werd geen aanleiding gezien voor correcties wegens functionele veroudering, omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van belemmeringen of excessieve gebruikskosten.
Op grond van deze overwegingen verklaarde het hof het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.