Belanghebbende was eigenaar van een gasgestookte warmtekrachtcentrale (WKC) die in 2013 buiten gebruik werd gesteld. De waardering van deze onroerende zaak voor de Wet WOZ voor het jaar 2010 was vastgesteld op € 2.336.000, terwijl een taxatierapport van belanghebbende een waarde van € 1.116.000 aanwees, mede gebaseerd op economische veroudering.
Het hof oordeelde dat het aantal draaiuren en het energetisch rendement van de WKC geen goede maatstaven zijn voor economische veroudering van de opstal en hield hier geen rekening mee. Belanghebbende stelde dat ook de installaties bij de waardering moeten worden betrokken en dat het lagere energetische rendement wel degelijk relevant is voor de economische veroudering.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd in hoeverre rekening is gehouden met economische veroudering bij de vaststelling van de gecorrigeerde vervangingswaarde. De toerekeningsvraag of het lagere rendement aan de opstal kan worden toegerekend is niet uitdrukkelijk behandeld, waardoor het oordeel van het hof onbegrijpelijk is.
De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. Belanghebbende draagt de bewijslast voor het stellen en aannemelijk maken van economische veroudering. De Hoge Raad veroordeelt het college tot vergoeding van het betaalde griffierecht.