Uitspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
5 februari 2019
[X] te [Z](hierna: belanghebbende)
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven(hierna: de Inspecteur)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de omvang van de matiging van vergrijpboeten wegens omkering en verzwaring van de bewijslast centraal, na verwijzing door de Hoge Raad. Belanghebbende was het niet eens met de door de inspecteur en rechtbank voorgestelde matiging van 5%, en eiste een hogere korting van 35%.
Het hof overwoog dat de omkering en verzwaring van de bewijslast een administratiefrechtelijke sanctie is die bij de straftoemeting door de belastingrechter moet worden meegewogen. Daarbij is de beoordeling van de passendheid van de boete een zaak van de feitenrechter, waarbij motivering van de weging niet vereist is.
Na afweging van de argumenten van partijen achtte het hof een matiging van 5% passend en geboden, conform het oordeel van de rechtbank. Daarnaast werd rekening gehouden met een eerdere vermindering van 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de boetes €13.511 voor 2007 en €2.730 voor 2008 bedragen.
Het hof bevestigde daarmee het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep van belanghebbende af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd aan de inspecteur voor deze verwijzingsprocedure.
Uitkomst: Het hof bevestigt de matiging van vergrijpboeten met 5% wegens omkering en verzwaring van de bewijslast, naast een termijnvermindering van 15%.