ECLI:NL:GHARL:2019:9392

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 november 2019
Publicatiedatum
4 november 2019
Zaaknummer
000841-19 en 000850-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 89 SvArt. 591a SvArt. 591 SvArt. 23 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding immateriële schade en proceskosten na onherroepelijke vrijspraak

Verzoeker, die na een strafzaak zonder oplegging van straf of maatregel werd vrijgesproken, vroeg vergoeding van immateriële schade en kosten als gevolg van zijn detentie. Hij verbleef 3 dagen in verzekering en 93 dagen in voorlopige hechtenis.

Het hof behandelde het verzoek in openbare raadkamer waarbij zowel verzoeker als de advocaat-generaal werden gehoord. Het hof oordeelde dat op grond van billijkheid een vergoeding voor immateriële schade passend is, gebaseerd op gangbare dagtarieven voor verblijf in verzekering en Huis van Bewaring.

Daarnaast werd geoordeeld dat de kosten voor de behandeling van het verzoek in raadkamer ook vergoed dienen te worden, ondanks dat de advocaat-generaal meende dat alleen de indieningskosten vergoed konden worden. Het hof stelde dat het Landelijk Strafprocesreglement geen bevoegdheid geeft om af te wijken van de wettelijke verplichting tot behandeling in openbare raadkamer met oproeping van partijen.

Uiteindelijk kende het hof een totale vergoeding van €8.305 toe, bestaande uit €7.755 voor immateriële schade en €550 voor proceskosten. De beslissing werd op 5 november 2019 in openbare zitting uitgesproken.

Uitkomst: Het hof kent verzoeker een schadevergoeding van €8.305 toe voor immateriële schade en proceskosten.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004689-18
AV-nummer: 000840-19 en 000841-19
Uitspraak d.d.: 5 november 2019
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het verzoek ex artikel 89 en Pro artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
thans verblijvende in de P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad,
voor deze zaak woonplaats kiezende te 1015 CJ Amsterdam, Keizersgracht 127, ten kantore van zijn advocaat mr. P.A.T. Lemmers
hierna te noemen verzoeker.
Procesgang
Verzoeker vraagt vergoeding ten laste van de Staat voor de schade welke hij ten gevolge van ondergane detentie in een strafzaak heeft geleden ten bedrage van € 7.595,-, zoals nader in het verzoekschrift aangegeven. Voorts is verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.
Het hof heeft het verzoek behandeld in raadkamer van 22 oktober 2019, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en de verzoeker, bijgestaan door mr. P.A.T. Lemmers, advocaat.
Beoordeling van het verzoek
Uit het onderzoek in openbare raadkamer is -voor zover hier van belang- het navolgende gebleken:
- Bij onherroepelijk arrest van dit hof van 1 maart 2019, parketnummer
21-004689-18, is de strafzaak tegen verzoeker geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel;
- Verzoeker heeft 3 dagen in verzekering doorgebracht (te weten van 6 april 2018 tot 8 april 2018) en 93 dagen in voorlopige hechtenis (van 9 april 2018 tot 18 april 2018 en van 3 augustus 2018 tot 24 oktober 2018);
- Verzoeker heeft ten gevolge van voormelde detentie schade geleden.
De immateriële schade
Het hof is van oordeel, alle omstandigheden in aanmerking genomen, dat gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan verzoeker ter zake van immateriële schade een schadevergoeding toe te kennen. Uitgaande van de gebruikelijk hiervoor gehanteerde tarieven, te weten € 105,00 per dag in verzekering op een politiebureau doorgebracht en
€ 80,00 per dag in een Huis van Bewaring doorgebracht, zal een vergoeding van € 7.755,00 worden toegekend.
De kosten van het verzoek
De advocaat-generaal is van mening dat de kosten van indiening van het verzoek wel voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, maar niet de kosten van behandeling van het verzoek in raadkamer. De advocaat-generaal voert daartoe aan dat het hof het verzoek niet in raadkamer had hoeven te behandelen omdat het openbaar ministerie binnen een maand na ontvangst van een afschrift van het verzoek heeft laten weten akkoord te gaan met integrale toewijzing. De advocaat-generaal wijst daarbij op paragraaf 6.3.3 van het Landelijk strafprocesreglement, waaruit zijns inziens volgt dat de behandeling van het verzoekschrift zonder verschijnen van partijen in raadkamer had kunnen worden afgedaan.
Het hof stelt voorop dat een verzoek als hier aan de orde, gelet op artikel 89, derde lid, en artikel 591a, vierde lid, juncto artikel 591, derde lid, Sv, dient te worden behandeld in openbare raadkamer. Het hof verwijst hierbij naar zijn beschikking van 18 september 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2019:7915. Artikel 23, tweede lid, Sv bepaalt dat door de raadkamer het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers worden gehoord, althans hiertoe opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven.
Dat laatste is niet het geval. Het Landelijk strafprocesreglement kan niet als zodanig ander voorschrift worden aangemerkt nu de opstellers daarvan niet, bij of krachtens Sv of anderszins, de bevoegdheid is toegekend tot het geven van een zodanig (algemeen verbindend) voorschrift. Het Landelijk strafprocesreglement is niet meer dan een weergave van de wijze waarop gerechten toepassing geven aan de in Sv toegekende bevoegdheden. Voor zover uit paragraaf 6.3.3 van dit strafprocesreglement moet worden afgeleid dat verzoeken als hier aan de orde niet in raadkamer behoeven te worden behandeld, is die paragraaf in strijd met de hierboven genoemde wetsartikelen zodat daaraan geen gevolg kan worden gegeven.
Voor zover uit paragraaf 6.3.3 van het Landelijk strafprocesreglement moet worden afgeleid dat het verzoek in raadkamer kan worden behandeld, zonder verschijnen van partijen, overweegt het hof dat artikel 23, tweede lid, Sv verplicht tot oproeping van de procespartijen in raadkamer. Dit betekent dat zowel verzoeker als het openbaar ministerie in de gelegenheid moeten worden gesteld in raadkamer aanwezig te zijn om daar hun standpunten toe te lichten en mogelijke vragen van de rechter te beantwoorden. Eerst na behandeling in openbare raadkamer kan het hof zijn oordeel geven over het voorliggende verzoek. Zoals het hof in eerder genoemde beschikking heeft overwogen kan een brief, waarin procespartijen wordt meegedeeld dat zij niet in raadkamer behoeven te verschijnen, niet als oproeping in de zin van artikel 23, tweede lid, Sv worden gezien. Overigens betekent de omstandigheid dat de procespartijen worden opgeroepen niet dat hun verschijnen in raadkamer verplicht of aangewezen is. Zij dienen daartoe zelf een afweging te maken.
De advocaat van verzoeker heeft gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om in raadkamer aanwezig te zijn. Dit rechtvaardigt dat ook de kosten van behandeling van het verzoekschrift in raadkamer worden vergoed. De omstandigheid dat bij het hof geen vragen bestonden omtrent de inhoud van het verzoek, doet daaraan niet af. Het hof zal overeenkomstig de ter zake gehanteerde uitgangspunten bepalen dat de kosten van indienen en behandelen van het verzoek worden vergoed tot een bedrag van € 550,-.
Gelet hierop zal het hof aan verzoeker de volgende vergoeding toekennen:
96 dagen voorarrest:
3 dagen politiebureau ad € 105,00 € 315,00
93 dagen HvB ad € 80,00 € 7.440,00
- kosten indiening en behandeling verzoekschrift
€ 550,00 +
Totaal € 8.305,00.
BESLISSING
Het hof:
Kent toe aan verzoeker [verzoeker] een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van €
8.305,00 (zevenduizend zevenhonderdvijfenvijftig euro).
Beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer NL 97 INGB 0.65.99.64.740, ten name van Stichting Beheer Derdengelden Mathoerapersad & Lemmers, onder vermelding van schadevergoeding ex art. 89 en Pro art. 591a Sv inzake [verzoeker] .
Aldus gegeven door
mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,
mr. J.J. Beswerda en mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H.P.G.A. Arntz, griffier,
door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 5 november 2019 ter openbare zitting uitgesproken.