Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
12 november 2019
[Z](hierna: belanghebbende)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, een vennootschap onder firma, heeft bezwaar gemaakt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaren tegen de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) over de tijdvakken april en december 2012. De Inspecteur had deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, waarna de rechtbank deze beslissing bevestigde. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk waren verklaard en dat de hoorplicht was geschonden. Tevens vorderde zij vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het Hof oordeelt dat het bezwaar tegen de BPM-aangifte over april 2012 te laat is ingediend, aangezien de bezwaartermijn op 10 juli 2012 was verstreken en het bezwaar pas op 11 juli 2012 werd ingediend. De stelling van belanghebbende dat geen rechtsmiddelenverwijzing op de aangifte stond, leidt niet tot een verschoningsgrond. Ook het bezwaar tegen de nihilaangifte over december 2012 was kennelijk niet-ontvankelijk, mede omdat belanghebbende geen belang had bij dat bezwaar.
Verder is vastgesteld dat de hoorplicht niet is geschonden omdat op grond van de Awb geen plicht tot horen bestond bij kennelijk niet-ontvankelijke bezwaren. De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar waren daarom ongegrond. Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren bevestigd.