Art. 14a Wet BPMArt. 4a Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 28c Invorderingswet 1990Art. 110 VWEUArt. 35 VWEU
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beperking teruggaaf BPM bij uitvoer naar andere EU-lidstaat niet in strijd met EU-recht
Belanghebbende verzocht teruggaaf van BPM voor twee personenauto’s die naar Duitsland en België werden overgebracht. De Inspecteur wees deze verzoeken af omdat de voertuigen voldeden aan de definitie van schadevoertuig, waardoor teruggaaf op grond van de Wet BPM werd uitgesloten.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en belanghebbende stelde hoger beroep in. Het Hof oordeelde dat de beperking van teruggaaf bij schadevoertuigen niet in strijd is met het Unierecht, met name artikel 110 VWEUPro, omdat dit artikel niet ziet op situaties waarin een lidstaat geen teruggaaf verleent bij uitvoer naar een andere lidstaat.
Daarnaast wees het Hof het beroep af dat te veel griffierecht is geheven, verwijzend naar jurisprudentie van de Hoge Raad en het HvJ EU. Het Hof achtte het geheven griffierecht geen onoverkomelijk obstakel voor toegang tot de rechter.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Vergoeding van griffierecht of proceskosten werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de teruggaaf BPM wordt bevestigd.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummers 17/01357 en 17/01358
uitspraakdatum: 12 november 2019
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] B.V.te [Z](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 november 2017, nummers LEE 15/2912 en 16/236, ECLI:NL:RBNNE:2017:4292, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteurvan de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/Team Auto BPM/Kantoor Doetinchem(hierna: de Inspecteur)
1.Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Belanghebbende heeft verzoeken tot teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) gedaan ter zake van een auto van het merk Mercedes-Benz, type E200 met kenteken [00-YYY-0] , en een auto van het merk Volkswagen, type Golf met kenteken [11-YYY-1] (hierna gezamenlijk: de auto’s). De Inspecteur heeft deze verzoeken afgewezen.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft verweer gevoerd.
1.5.
Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingestuurd.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met de zaken met de procedurenummers 17/00948, 17/01308, 17/00919 en 17/00928, plaatsgevonden op 19 maart 2019. De voorzitter heeft ter zitting de onderhavige zaken aangehouden om belanghebbende, die niet ter zitting was verschenen, te verzoeken de in het dossier ontbrekende – ter zitting van de Rechtbank overgelegde – pleitnota te over te leggen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is gestuurd.
1.7.
Belanghebbende heeft voormelde pleitnota bij brief van 25 maart 2019 overgelegd.
1.8.
De Inspecteur heeft een reactie ingestuurd. Belanghebbende heeft voor de nadere zitting een pleitnota ingediend.
1.9.
Het onderzoek ter nadere zitting, waarbij onderhavige zaken gezamenlijk en gelijktijdig zijn behandeld, heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Het Hof heeft de zaken ter zitting behandeld in een andere samenstelling van de zetel dan bij de mondelinge behandeling van 19 maart 2019. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
2.Vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende heeft de tenaamstelling van de auto van het merk Mercedes-Benz, type E200 met kenteken [00-YYY-0] , in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens per 9 mei 2014 doen vervallen in verband met de overbrenging van de auto naar Duitsland en de registratie in het kentekenregister van dat land. Belanghebbende heeft de Inspecteur in dat kader op 15 mei 2014 verzocht haar op de voet van artikel 14a, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) ter zake van de export van deze auto BPM terug te geven ten bedrage van € 946. Dit verzoek is door de Inspecteur bij beschikking van 28 november 2014 afgewezen.
2.2.
Belanghebbende heeft de tenaamstelling in het kentekenregister als onder 2.1 bedoeld van de auto van het merk Volkswagen, type Golf met kenteken [11-YYY-1] doen vervallen per 10 april 2015 in verband met de overbrenging van de auto naar België en de registratie in het kentekenregister van dat land. Belanghebbende heeft de Inspecteur in dat kader op 9 juli 2015 op evenvermelde voet verzocht om teruggaaf van BPM wegens export ten bedrage van € 1.547. Dit verzoek is door de Inspecteur bij beschikking van 22 juli 2015 afgewezen.
2.3.
De auto’s waren vanaf de registratie in Nederland tot voormelde momenten van overbrenging naar de andere EU-lidstaat hoofdzakelijk bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland.
3.Geschil
In hoger beroep is in geschil of de verzoeken om teruggaaf ten onrechte zijn afgewezen. Bij bevestigende beantwoording is vervolgens in geschil of belanghebbende recht heeft op toekenning van een passende rentevergoeding buiten artikel 28c van de Invorderingswet 1990 om over de periode van de betaling tot de feitelijke terugbetaling, en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van rente over de terug te geven griffierechten. Voorts is in geschil of van belanghebbende te veel griffierecht is geheven. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Inspecteur ontkennend. Belanghebbende heeft haar verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten ter nadere zitting van het Hof ingetrokken.
4.Beoordeling van het geschil
Teruggaaf BPM
4.1.
Ingevolge artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM (zoals van toepassing in de onderhavige jaren) wordt, voor zover hier van belang, teruggaaf van BPM, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto’s indien de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht, en het motorrijtuig wordt geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie.
4.2.
Ingevolge artikel 4a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (zoals van toepassing in de onderhavige jaren) wordt de in artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM bedoelde teruggaaf slechts verleend indien, voor zover hier van belang, het motorrijtuig op het moment van het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister niet voldoet aan de definitie van schadevoertuig in de zin van de Regeling voertuigen.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto’s voldoen aan de definitie van schadevoertuig in de zin van de Regeling voertuigen en dat belanghebbende daarmee op grond van voormelde bepalingen geen recht heeft op teruggaaf van BPM. Nu dit niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, zal het Hof partijen daarin volgen.
4.4.
Belanghebbende heeft evenwel betoogd dat voormelde beperking van de teruggaaf bij schadevoertuigen in strijd is met het Unierecht (artikelen 35 en/of 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)).
4.5.
Vaststaat dat de auto’s ten tijde van de registratie in Nederland tot de onder 2.1 en 2.2 vermelde momenten van overbrenging naar de andere EU-lidstaat hoofdzakelijk bestemd waren voor duurzaam gebruik in Nederland. Onder die omstandigheid was het Nederland toegestaan de auto’s aan een eenmalige registratiebelasting te onderwerpen. Het Unierecht noopt in een dergelijk geval Nederland niet tot een (wettelijke) regeling die voorziet in (gedeeltelijke) teruggaaf van BPM wanneer de auto na verloop van tijd niet meer is bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland en voor duurzaam gebruik wordt overgebracht naar een andere lidstaat (zie HR 14 februari 2014, nr. 12/05759, ECLI:NL:HR:2014:281). Er kan met betrekking tot een verzoek om teruggaaf van BPM ter zake van uitvoer van een auto naar een andere EU-lidstaat derhalve niet met vrucht een beroep worden gedaan op artikel 110 VWEUPro, omdat de werkingssfeer van dat artikel zich niet uitstrekt tot gevallen waarin wegens de uitvoer van goederen uit een lidstaat naar een andere lidstaat geen teruggaaf plaatsvindt van – zoals hier – eerder door eerstgenoemde lidstaat (in casu Nederland) rechtmatig geheven BPM (zie HR 29 april 2016, nr. 15/02976, ELI:NL:HR:2016:753). Reeds om deze reden kan evenmin een beroep worden gedaan op artikel 35 VWEUPro. Dat de Nederlandse wetgever wel een algemene teruggaafregeling bij uitvoer als in artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM heeft opgenomen, doet aan het voorgaande niet af.
4.6.
Gelet op het voorgaande heeft de Inspecteur de verzoeken tot teruggaaf van BPM terecht afgewezen.
Hoogte griffierecht
4.7.
Belanghebbende heeft onder verwijzing naar onder meer het arrest Kantarev (HvJ EU 4 oktober 2018, C-571/16, ECLI:EU:C:2018:807) gesteld dat zowel de Rechtbank als het Hof te veel griffierecht heeft geheven door geen rekening te houden met de omvang van het financiële belang dat belanghebbende heeft bij onderhavige geschillen. Volgens belanghebbende kan de toegang tot de nationale rechter alleen worden gewaarborgd indien niet meer griffierechten worden geheven dan 2 percent van de vordering die voorwerp is van geschil.
4.8.
Dit betoog faalt op de gronden als vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, nr. 18/04973, ECLI:NL:HR:2019:1579. Voorts acht het Hof de van belanghebbende geheven bedragen – door de Rechtbank in beide zaken een griffierecht van € 331 en door het Hof voor beide zaken tezamen eenmaal een griffierecht van € 501 – in het onderhavige geval geen onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende, gegeven haar financiële situatie, in aanmerking komt voor vrijstelling van het verschuldigde griffierecht.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. De overige standpunten van belanghebbende behoeven geen behandeling.
5.Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6.Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op 12 november 2019in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (G.B.A. Brummer)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 13 november 2019
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH DEN HAAG.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.