Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
inspecteurvan de
Belastingdienst/kantoor Utrecht(hierna: de Inspecteur)
[Z](hierna: belanghebbende)
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Vaststaande feiten
- dat opdrachtgever een bedrijf is dat interim- en consultancyopdrachten voor de bancaire wereld verricht;
- dat opdrachtgever voor het verrichten van deze opdrachten uit haar bestand een Banking Professional selecteert op basis van diens kennis, praktijkervaring, kwaliteiten en vaardigheden als Banking Professional. Deze Banking Professionals zijn dan ook zonder uitzondering experts uit de praktijk;
- dat opdrachtnemer over de benodigde kwaliteiten en kennis beschikt om een opdracht te verrichten;
- dat partijen in dat verband een raamovereenkomst wensen aan te gaan en expliciet stellen dat er tussen hen geen gezagsverhouding bestaat;
- dat partijen met deze overeenkomst dan ook uitdrukkelijk aangeven geen arbeidsovereenkomst te willen afsluiten;
- dat opdrachtgever te allen tijde op grond van deze raamovereenkomst aan de opdrachtnemer een opdracht kan geven tot het verrichten van werkzaamheden, maar dat de opdrachtgever daartoe nooit gehouden is;
- dat de opdrachtnemer te allen tijde een opdracht van de opdrachtgever kan accepteren, maar daartoe nooit gehouden is;
- als de opdrachtnemer van de opdrachtgever een opdracht tot het verrichten van werkzaamheden aanvaardt komt tussen hen een overeenkomst van opdracht tot stand als bedoeld in artikel 7:400 BW Pro e.v., voor de duur van de overeengekomen werkzaamheden.
5.Conclusie arbeidsrelatie [a-bank] Groep en de heer [X]
9.Eindconclusie
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
volgens aangifte