2.3.Belanghebbende, het [B] College en [A] hebben op respectievelijk 7 mei 2011, 13 mei 2011 en 22 mei 2011 een intentieovereenkomst met datum 30 maart 2011 ondertekend. Hierin verbinden genoemde partijen zich aan het project “Nieuwbouw [B] College – “Ruimte om te leren””. Het als bijlage bij deze intentieovereenkomst gevoegde projectplan bevat de volgende uitgangspunten en randvoorwaarden:
“
Gemeente
1. De gemeente is opdrachtgever en bouwheer.
2. De gemeente zal binnen het project vooral sturen op de noodzakelijke investeringen.
3. De nieuwbouw dient gerealiseerd te worden binnen de geldende normvergoeding, eventueel aangevuld met schoolbestuurlijke middelen en aanvullende subsidies.
4. De gemeente draagt zelf zorg voor de beschikbaarheid en ontwikkeling van de locatie inclusief stedenbouwkundige uitwerking en RO-procedures.
5. Gezien de onderwijscarrousel heeft de gemeente alle belang bij een zo snel mogelijke realisatie van de nieuwbouw, zodat de locatie [F] vrij komt voor herontwikkeling en de nieuwbouw van een basisschool. Uitgangspunt is de opleveringdatum in januari 2014 met een uiterlijke ingebruikname van de school met ingang van het schooljaar 2014-2015.
[B] College
6. De school draagt zorg voor de onderwijsinhoudelijke informatie die nodig is om het projectdossier op te stellen.
7. De school en het bijbehorende terrein worden na de oplevering overgedragen aan het schoolbestuur. Hiermee wordt [A] verantwoordelijk voor het onderhoud, het beheer en de exploitatie.
8. De school moet plaats bieden aan 1.200 leerlingen met een mogelijke uitbreiding naar 1.500 leerlingen en circa 120 tot 150 personeelsleden.
9. Voor de school is draagvlak binnen de school essentieel. Dit vraagt om een goede participatie van personeel en leerlingen bij het nieuwbouwproces.
10. Naast passende huisvesting is een goede bereikbaarheid van de locatie met het openbaar vervoer en een sociaal veilige omgeving voor leerlingen en medewerkers een randvoorwaarde.
Adviseur
11. Het schoolbestuur en de gemeente hebben samen een adviseur (draaijer+partners) geselecteerd voor het begeleiden van het programma van eisen, het ontwerp en de uitvoering.”
De kosten van personeelsinzet door de partners worden niet aan het project toegekend en verrekend, tenzij expliciet aangegeven of overeengekomen. De vervanging van de losse inrichting zoals het meubilair behoort niet tot dit project. Omdat het gaat om vervangende huisvesting is dit de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur.
In het projectplan is voorts de volgende paragraaf opgenomen:
“
Geld
De normvergoeding is uitgangspunt en geldt als harde randvoorwaarde voor het project. In de bijlage is een overzicht van deze normvergoeding terug te vinden. Normvergoeding prijspeil 2011 als nevenvestiging voor 1.200 leerlingen van het [B] College ligt op:
1. Normvergoeding voor lesruimte en buitenruimte voor zover deze bij de school hoort
€ 8.689.983
2 Normvergoeding voor sport, 3 zalen
€ 2.373.774
Daarnaast zijn er mogelijk aanvullende locatiegebonden kosten, zoals aanpassingen aan de infrastructuur of investeringen in het kader van het verbeteren van de sociale veiligheid. De kosten voor het stedenbouwkundig plan komen voor rekening van de gemeente. Er zal een lijst worden gemaakt met de onderdelen die uit de normvergoeding moet worden bekostigd.
De kosten zijn nog afhankelijk van de te kiezen locatie. Mogelijk moet er grond worden aangekocht. Deze kosten maken geen deel uit van de normvergoeding. Wanneer gebruik gemaakt kan worden van bestaande sportvoorzieningen, dan kan worden bespaard op de bouw. Er moet dan wel in de kwaliteit van de voorzieningen worden geïnvesteerd.
De huidige wet- en regelgeving voor de financiering van scholen voor voortgezet onderwijs regelt dat de gemeente de kosten voor de bouw en de eerste inrichting (dit laatste is in dit project niet aan de orde) betaalt en het schoolbestuur verantwoordelijk is voor het onderhoud en de exploitatie. Hieruit kunnen tegengestelde belangen ontstaan. De adviseur bekijkt, mede vanuit duurzaamheid, of binnen de gestelde projectkaders ook rekening gehouden kan worden met de beperking van exploitatielasten voor de school. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat de gemeente meer investeert bij de bouw in onderhoudsarme materialen en dat het schoolbestuur de meerkosten die een overschrijding van de normvergoeding tot gevolg heeft, in een bepaalde periode terugbetaalt doordat de school kan besparen op energielasten.
De dekking van de kosten moet worden gevonden in de extra inkomsten in het gemeentefonds doordat de school van een dislocatie wordt omgevormd in een nevenvestiging. De gemeenteraad moet bereid zijn om deze extra inkomsten te reserveren voor dit doel. Daarnaast zal een deel van het plafondkrediet vanuit het IHP gebruikt moeten worden.”