Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd buiten de wettelijke termijn. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank Gelderland werd de aanslag vernietigd en proceskostenvergoeding toegekend op forfaitaire basis. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat recht bestaat op vergoeding van de werkelijke proceskosten, stellende dat de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld en de aanslag tegen beter weten in heeft gehandhaafd.
Het Hof nam de vaststaande feiten over en oordeelde dat de Inspecteur de aanslag heeft opgelegd uit een vergissing, niet tegen beter weten in, en dat het standpunt van de Inspecteur inzake conversie in een navorderingsaanslag niet evident onredelijk was. Hoewel de Inspecteur enige onzorgvuldigheid kan worden verweten, was dit niet in vergaande mate. Daarom waren er geen bijzondere omstandigheden voor een afwijking van de forfaitaire proceskostenvergoeding.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank bevestigd en geen vergoeding van griffierecht of proceskosten in hoger beroep toegekend. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 1 december 2020 door het Hof Arnhem-Leeuwarden.