ECLI:NL:GHARL:2020:10606

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 december 2020
Publicatiedatum
18 december 2020
Zaaknummer
Wahv 200.268.409/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wahv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing administratieve sanctie wegens negeren rood verkeerslicht

De betrokkene stelde in hoger beroep dat het proces-verbaal van de zitting bij de kantonrechter onvoldoende was, omdat het niet duidelijk maakte welke argumenten tot de beslissing van de officier van justitie hadden geleid. Het hof oordeelde dat het proces-verbaal inderdaad niet voldeed aan de wettelijke eisen en dat de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigd moest worden.

Inhoudelijk betwistte de gemachtigde van de betrokkene de bevoegdheid van de ambtenaar die de sanctie oplegde, omdat diens akte van aanstelling niet was gepubliceerd en verzoeken om inzage werden geweigerd. Het hof stelde echter dat het ontbreken van publicatie en het niet in behandeling nemen van Wob-verzoeken onvoldoende zijn om aan de bevoegdheid te twijfelen.

Verder voerde de gemachtigde aan dat de vaststelling van de roodtijd van 15 seconden onduidelijk was en dat de verklaring van de ambtenaar onvoldoende onderbouwd was. Het hof vond de verklaring van de ambtenaar echter geloofwaardig en oordeelde dat de gedraging voldoende vaststond. De ontkenning door de betrokkene en de stelling dat de ambtenaar een conflicterende rijrichting had, waren onvoldoende onderbouwd.

Het hof verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie werd inhoudelijk beoordeeld en verworpen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de sanctie wegens negeren van het rode verkeerslicht blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.268.409/01
CJIB-nummer
: 221262928
Uitspraak d.d.
: 18 december 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 19 september 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 18 juni 2020 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen. In deze brief trekt de gemachtigde het zittingsverzoek in.

De beoordeling

1. De gemachtigde stelt zich in hoger beroep ten eerste op het standpunt dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal is opgemaakt. Het is onduidelijk welke argumenten tot de beslissing van de zittingsvertegenwoordiger hebben geleid.
2. Van het verhandelde ter zitting dient een proces-verbaal te worden opgemaakt (vgl. het arrest van het hof van 31 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:2589). Dit dient een zakelijke weergave te bevatten van wat is voorgevallen ter zitting.
3. Het dossier bevat een afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 19 september 2019. Daarin is niet vermeld tot welke conclusie de vertegenwoordiger van de officier van justitie op de zitting is gekomen. Het proces-verbaal voldoet dan ook niet aan de eisen die daaraan worden gesteld (vgl. het arrest van het hof van 9 oktober 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:8307). Het hof volgt niet het standpunt van de advocaat-generaal dat dit niet tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter behoeft te leiden omdat de zittingsaantekeningen zich in het dossier bevinden. Aan de zittingsaantekeningen komt geen juridische betekenis toe. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
4. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 november 2018 om 9:15 uur op de Arent Krijtsstraat in Diemen met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] . De officier van justitie heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard.
5. De gemachtigde voert aan dat getwijfeld moet worden aan de bevoegdheid van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. De officier van justitie heeft, ondanks verzoeken van de gemachtigde daartoe, geweigerd de akte van aanstelling te verstrekken of door te zenden. De politie-eenheid Amsterdam heeft van alle onder haar werkende ambtenaren de akte van aanstelling gepubliceerd, behalve van de ambtenaar die de onderhavige sanctie heeft opgelegd. De korpschef weigert consequent informatieverzoeken van de gemachtigde in behandeling te nemen. De gemachtigde weet dat het als zodanig stellen dat de akte van aanstelling niet achterhaald kan worden onvoldoende is om te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar. Er zal met een Wob-verzoek – in een concreet dossier – moeten worden onderbouwd dat de stukken niet voorhanden zijn. De gemachtigde verwijst hierbij naar het arrest van het hof van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:LNL:GHARL:2019:10797. De gemachtigde heeft in deze zaak ook een Wob-verzoek ingediend maar de korpschef heeft daaraan geen gevolg gegeven. Daarom ligt het nu op de weg van de advocaat-generaal om deze stukken in het geding te brengen.
6. Het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het vaststellen van de gedraging is het uitgangspunt (zie het arrest van het hof van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797). Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar.
7. Dat van de betreffende ambtenaar, anders dan van de andere ambtenaren van de politie-eenheid Amsterdam, de akte van aanstelling niet is gepubliceerd, is onvoldoende om te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar. Dat de korpschef weigert informatieverzoeken of verzoeken op grond van de Wob van de gemachtigde naar aanleiding van de verkeersboete in behandeling te nemen doet die twijfel evenmin ontstaan. Dat in een concreet dossier een Wob-verzoek ingediend moet worden om te onderbouwen dat de stukken niet voorhanden zijn, volgt niet uit het arrest van het hof van 23 december 2019 waar de gemachtigde naar verwijst. Het hof ziet -ook zonder nadere informatie van de advocaat-generaal- geen reden te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar.
8. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de roodtijd van 15 seconden opmerkelijk is. Het is niet duidelijk hoe de ambtenaar tot de vaststelling is gekomen dat het verkeerslicht 15 seconden rood licht heeft gehad. Dit zou betekenen dat de betrokkene – op een druk kruispunt in Amsterdam – maar liefst 15 seconden zou hebben gewacht, en dan vervolgens plots door het rode licht zou zijn gereden. De ambtenaar moet het voertuig gedurende die 15 seconden steeds hebben gemonitord, op een positie van waaruit hij het voertuig van de betrokkene goed kon zien en bovendien moet hij steeds hebben gemonitord wanneer het verkeerslicht van groen naar rood sprong en dan precies hebben geklokt tot 15 seconden. De ambtenaar had in een aanvullende verklaring uit moeten leggen hoe hij tot 15 seconden roodtijd is gekomen en hoe hij zijn onderzoek heeft verricht. De gedraging staat, nu deze verklaring ontbreekt, onvoldoende vast. Verder voert de gemachtigde aan dat de verklaring van de betrokkene niet bruikbaar is omdat de betrokkene niet is gewezen op zijn recht op verhoorbijstand en de verklaring abominabel is weergegeven. Er zijn twee getuigen die kunnen verklaren dat de ambtenaar een conflicterende rijrichting had en de ambtenaar de gedraging daarom nimmer heeft kunnen waarnemen.
9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 15,00 seconden op rood stond op het moment dat de betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.”
11. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde aanvoert geen reden te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. De ambtenaar heeft verklaard dat hij direct zicht op het verkeerslicht had. De enkele ontkenning hiervan noch de stelling dat de ambtenaar een conflicterende rijrichting had, is voldoende om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Het had op de weg van de gemachtigde gelegen een verklaring van de getuigen te overleggen. De ambtenaar heeft verder niet, zoals de gemachtigde stelt, verklaard dat de betrokkene 15 seconden heeft gewacht voor het verkeerslicht om vervolgens plots door te rijden. De ambtenaar heeft slechts verklaard dat het verkeerslicht 15 seconden op rood stond op het moment dat de betrokkene dit licht negeerde. De ambtenaar behoefde dus niet 15 seconden zowel het voertuig van de betrokkene als het verkeerslicht in de gaten te houden zoals de gemachtigde meent.
12. Nu de verklaring van de betrokkene niet nodig is voor de vaststelling van de gedraging, behoeven de dienaangaande aangevoerde bezwaren geen bespreking.
13. Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.
14. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.