ECLI:NL:GHARL:2021:3335

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 april 2021
Publicatiedatum
7 april 2021
Zaaknummer
: Wahv 200.272.102/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Anjewierden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1.1 RvArt. 5.2.51 RvArt. 5.2.53 RvArt. 5.2.55 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctiebeschikking wegens niet werkend derde remlicht

De betrokkene werd door een aspirant van politie gesanctioneerd wegens het rijden met een voertuig waarvan het derde remlicht niet werkte. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene tegen deze sanctie ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

In hoger beroep stelde de gemachtigde van de betrokkene onder meer dat het proces-verbaal niet deugdelijk was en dat de bevoegdheid van de ambtenaar die de sanctie oplegde niet vaststond. Het hof oordeelde dat het proces-verbaal niet voldeed aan de eisen omdat niet duidelijk was tot welke conclusie de zittingsvertegenwoordiger was gekomen, waardoor de beslissing van de kantonrechter werd vernietigd.

Na herbeoordeling verklaarde het hof het beroep tegen de sanctiebeschikking alsnog ongegrond. Het hof vond geen aanleiding om de sanctie te matigen of achterwege te laten, omdat de betrokkene niet aannemelijk had gemaakt dat het derde remlicht onderweg defect was geraakt en hij geen verklaring had afgelegd tijdens de hoorzitting.

Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld. Het arrest werd gewezen door mr. Anjewierden en uitgesproken op een openbare zitting.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de sanctiebeschikking gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.272.102/01
CJIB-nummer
: 223820774
Uitspraak d.d.
: 7 april 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De gemachtigde van de betrokkene heeft op 16 februari 2021 het verzoek tot behandeling van de zaak ter zitting ingetrokken.

De beoordeling

1. De gemachtigde stelt zich in hoger beroep ten eerste op het standpunt dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting een deugdelijk proces-verbaal is opgemaakt. Het is onduidelijk tot welke beslissing de zittingsvertegenwoordiger heeft geconcludeerd.
2. Dit verweer treft doel. Het dossier bevat een afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 26 november 2019. Nu daarin niet is vermeld tot welke conclusie de vertegenwoordiger van de officier van justitie op de zitting is gekomen, voldoet het proces-verbaal niet aan de daaraan te stellen eisen (vgl. het arrest van het hof van 9 oktober 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:8307). Het hof volgt niet het standpunt van de advocaat-generaal dat dit niet tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter behoeft te leiden omdat de zittingsaantekeningen zich in het dossier bevinden. Aan de zittingsaantekeningen komt geen juridische betekenis toe (vgl. het arrest van het hof van 18 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10606). De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
3. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.
4. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl voertuig niet voorzien is van een goed werkend derde remlicht.” Deze gedraging zou zijn verricht op 22 februari 2019 om 17:23 uur op het Beursplein in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] . Het zaakoverzicht vermeldt dat de sanctie is opgelegd door een aspirant van politie.
5. De gemachtigde voert daartoe in hoger beroep aan dat getwijfeld moet worden aan de bevoegdheid van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Van meet af aan is verzocht om de akte van aanstelling. De officier van justitie heeft desondanks geweigerd die akte te verstrekken of door te zenden. De politie-eenheid Amsterdam heeft van alle onder haar werkende ambtenaren de akte van aanstelling gepubliceerd op politie.nl/wob, behalve van deze ambtenaar. De korpschef weigert consequent informatieverzoeken van de gemachtigde in behandeling te nemen. De gemachtigde weet dat het als zodanig stellen dat de akte van aanstelling niet achterhaald kan worden onvoldoende is om te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar. Er zal met een Wob-verzoek – in een concreet dossier – moeten worden onderbouwd dat de stukken niet voorhanden zijn. De gemachtigde verwijst hierbij naar het arrest van het hof van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:LNL:GHARL:2019:10797. De gemachtigde heeft in deze zaak onder verwijzing naar voormeld arrest ook een Wob-verzoek ingediend, maar de korpschef heeft daaraan geen gevolg gegeven. Daarom ligt het nu op de weg van de advocaat-generaal om deze stukken in het geding te brengen.
6. Dit verweer treft geen doel. De gemachtigde heeft deze argumenten eerder aan het hof voorgelegd en dat heeft geleid tot het arrest van 18 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10606. Het hof volstaat hier met verwijzing naar de overwegingen 6 en 7 daarvan.
7. De gemachtigde stelt zich verder onder verwijzing naar het arrest van het hof van
11 augustus 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:6948) op het standpunt dat de inleidende beschikking vernietigd dient te worden omdat daarop wordt verwezen naar een niet in de Regeling voertuigen (Rv) voorkomend voorschrift “art.5.5.23-63 Rv.” Een kopie van de inleidende beschikking met daarop de artikelen waarnaar is verwezen, heeft de gemachtigde niet overgelegd.
8. In voormelde zaak heeft het hof de inleidende beschikking vernietigd, omdat de betrokkene in zijn verdedigingsbelang was geschaad doordat in de inleidende beschikking geen wettelijk voorschrift was vermeld en ook uit de omschrijving van de gedraging (voertuig laten staan in park, plantsoen, openbare beplanting of groenstrook) niet eenvoudig kon worden afgeleid welke bepaling zou zijn overtreden.
9. De onder 4 genoemde gedraging met feitcode N514K is een overtreding van artikel 5.1.1 van de Rv in samenhang met de hierna te noemen andere bepalingen van die regeling.
Artikel 5.1.1, eerste lid, van de Rv - voor zover hier van belang - luidt:
Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig:
c. niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen.
Artikel 5.2.51, eerste lid, onder p van de Rv bepaalt - voor zover hier van belang - dat personenauto’s moeten zijn voorzien van een derde remlicht indien het voertuig, zoals in dit geval, in gebruik is genomen na 30 september 2001.
Artikel 5.2.53, zesde lid, van de Rv luidt:
Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
Artikel 5.2.55, eerste lid, van de Rv voertuigen luidt:
De in artikel 5.2.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen.
10. Voor zover op de inleidende beschikking zou zijn verwezen naar afdeling 5 (driewielige motorrijtuigen) in plaats van naar afdeling 2 (personenauto’s) van hoofdstuk 5 van de Rv, is dat niet juist. Het hof ziet echter geen aanleiding om daaraan enig gevolg te verbinden. Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene door die onjuistheid in zijn belangen is geschaad. Hij is immers staande gehouden en hem is meegedeeld dat het derde remlicht van zijn auto niet werkte. Hij wist dus van meet af aan waartegen hij zich had te verdedigen.
11. De gemachtigde voert verder aan dat er aanleiding bestaat het opleggen van een sanctie achterwege te laten, omdat iedere vorm van verwijtbaarheid of schuld aan de gedraging ontbreekt of om het bedrag van de sanctie op nihil te stellen gelet op de geringe ernst van het feit of de omstandigheden van het geval. Het derde remlicht is kennelijk onderweg kapot gegaan. De betrokkene heeft de ambtenaar bij staandehouding verzocht hem te laten zien dat het derde remlicht defect is, omdat de betrokkene dit voor zijn (taxi)dienst heeft gecontroleerd. De ambtenaar wilde daaraan niet meewerken. De gemachtigde wijst op het arrest van het hof van 21 mei 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:4376) en de wetsgeschiedenis (Bijlage Handelingen Tweede Kamer 1987-1988, 20 329, nr. 3 blz. 5 en Memorie van Toelichting, artikelsgewijze toelichting, kamerstukken 1987-1988, nr. 3 blz. 37).
12. Het hof ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding om een sanctie achterwege te laten of het bedrag ervan te matigen. Het hof acht niet aannemelijk dat de betrokkene het derde remlicht voorafgaand aan zijn dienst op 22 februari 2019 heeft gecontroleerd en dat dit daarna onderweg kapot is gegaan. De betrokkene heeft blijkens het zaakoverzicht na mededeling van de cautie geen verklaring willen afleggen, terwijl het in de rede ligt een argument als dit meteen aan te voeren.
Het argument wordt voor het eerst in hoger beroep aangevoerd en strookt niet met hetgeen blijkens het verslag van de hoorzitting bij de officier van justitie namens de betrokkene is aangevoerd, te weten dat de betrokkene tegen de ambtenaar heeft gezegd dat hij het onmogelijk kan weten als zijn derde remlicht kapot is, omdat hij moeilijk op de rem kan drukken en zijn remlichten kan controleren.
13. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond is.
14. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.