Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2020:10679

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 december 2020
Publicatiedatum
21 december 2020
Zaaknummer
200.269.940
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:228 BWArt. 7:272 lid 2 BWArt. 7:273 lid 2 BWArt. 7:277 lid 2 BWArt. 555 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging opzegging gebruik perceel grond en verlenging huurovereenkomst woonruimte voor één jaar

Het geschil betreft de opzegging van een mondelinge overeenkomst voor het gebruik van een perceel grond en de huurovereenkomst van een woonruimte. De verhuurders hebben het gebruik van het perceel opgezegd per 1 oktober 2018 en de huur van de woonruimte per 1 januari 2019 wegens vermeend slecht huurderschap en dringend eigen gebruik.

De kantonrechter wees de beëindigingsvordering voor de woonruimte af en verlengde de huurovereenkomst met één jaar. Voor het perceel grond oordeelde de kantonrechter dat het een huurovereenkomst betrof die niet woon- of bedrijfsruimte is, en dat deze overeenkomst rechtsgeldig was opgezegd.

In hoger beroep betwistten de huurders dat het gebruik van het perceel grond los stond van de woonruimte en stelden zij dat het een huurovereenkomst betrof met dezelfde opzegbescherming als woonruimte. Het hof oordeelde echter dat het perceel grond een zelfstandige duurovereenkomst voor onbepaalde tijd betreft die opzegbaar is met inachtneming van een redelijke termijn, welke hier is gerespecteerd.

De verlenging van de huurovereenkomst woonruimte met één jaar werd door het hof bevestigd vanwege de toekomstplannen van verhuurders, waaronder dringend eigen gebruik en gezondheidsredenen. De vordering tot het opleggen van een dwangsom bij ontruiming van het perceel werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.

Het hoger beroep van de huurders faalt en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd, waarbij de huurders worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep van de huurders wordt afgewezen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.269.940
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 7269337)
arrest van 22 december 2020
in de zaak van

1.[appellant] ,

2.
[appellante],
beiden wonende te [A] ,
appellanten,
in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,
hierna: [appellanten] c.s.,
procesvertegenwoordiger onttrokken, voorheen: mr. J.P. Sanchez Montoto,
tegen:

1.[geïntimeerde1] ,

2.
[geïntimeerde2],
beiden wonende te [A] ,
geïntimeerden,
in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,
hierna: [geïntimeerden] c.s.,
advocaat: mr. J. Groot Koerkamp.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 12 december 2018 en 4 september 2019.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 22 november 2019,
- de memorie van grieven,
- de memorie van antwoord, tevens akte wijziging van eis.
2.2
Vervolgens hebben [geïntimeerden] c.s. de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3.De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 4 september 2019.

4.De motivering van de beslissing in hoger beroep

Samenvatting van het geschil
4.1
[geïntimeerden] c.s. drijven samen met hun oudste zoon een agrarisch bedrijf aan de [a-straat ] 15 te [A] . Zij wonen in een woning bij het bedrijf. Op hetzelfde terrein staat een tweede woning ( [a-straat ] 15A). De tweede woning hebben [geïntimeerden] c.s. vanaf 1 juni 2004 voor onbepaalde tijd verhuurd aan [appellanten] c.s. Verder hebben [geïntimeerden] c.s. aan [appellanten] c.s. mondeling toestemming gegeven om voor onbepaalde tijd een perceel grond achter de woning te gebruiken. Op dat perceel grond houden [appellanten] c.s. een aantal dieren. Bij brief van 29 juni 2018 hebben [geïntimeerden] c.s. per 1 januari 2019 de huur van de woonruimte opgezegd omdat [appellanten] c.s. zich niet als goed huurder hebben gedragen en bovendien wegens dingend eigen gebruik. Het gebruik van het perceel grond hebben [geïntimeerden] c.s. bij diezelfde brief opgezegd per 1 oktober 2018. [appellanten] c.s. hebben niet ingestemd met deze opzeggingen.
4.2
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de door [geïntimeerden] c.s. ingestelde beëindigingsvordering van de huurovereenkomst met [appellanten] c.s. met betrekking tot de woonruimte op grond van artikel 7:272 lid 2 BW Pro afgewezen. Daarbij heeft de kantonrechter op grond van artikel 7:273 lid 2 BW Pro bepaald dat de huurovereenkomst voor de duur van één jaar wordt verlengd. Wat betreft het perceel grond heeft de kantonrechter geoordeeld dat tussen [geïntimeerden] c.s. en [appellanten] c.s. sprake is van een huurovereenkomst met betrekking tot een onroerende zaak die noch woonruimte, noch bedrijfsruimte is. De kantonrechter heeft bepaald dat deze huurovereenkomst door opzegging is beëindigd en heeft de vordering tot ontruiming van de grond toegewezen. De overige vorderingen van partijen in conventie en reconventie heeft de kantonrechter afgewezen.
4.3
[appellanten] c.s. richten zich in de grieven 1 en 2 tegen het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van de opzegging van het gebruik van het perceel grond en de veroordeling tot ontruiming van die grond. In geschil is hoe de mondelinge overeenkomst tot het gebruik van de grond moet worden gekwalificeerd. Volgens [geïntimeerden] c.s. is het perceel grond in of omstreeks 2006 door hen om niet in gebruik gegeven aan [appellanten] c.s., waardoor sprake is van een bruikleenovereenkomst. [appellanten] c.s. betogen dat [geïntimeerden] c.s. direct bij hun intrek in de woonruimte toestemming hebben gegeven voor het gebruik van de grond en dat zij een bedrag van € 50,- per maand aan huur betalen. Volgens [appellanten] c.s. moeten het gebruik van de woning en het perceel grond als één huurovereenkomst van woonruimte worden beschouwd, waardoor voor de grond dezelfde opzegbescherming geldt als voor de woonruimte.
De ontruiming van het perceel grond
4.4
Naar het oordeel van het hof is wat betreft het perceel grond geen sprake van een huurovereenkomst van woonruimte. [appellanten] c.s. hebben onvoldoende nader toegelicht dat zij het perceel grond vanaf de aanvang van de huur van de woonruimte in 2004, en niet pas in of omstreeks 2006, in gebruik hebben genomen. Dat [appellanten] c.s. vanaf 2004 per maand € 50,- huur betaalden voor de grond, hebben zij in het licht van het verweer van [geïntimeerden] c.s. ook al niet voldoende toegelicht. Het gaat verder om een achter de woning gelegen weiland dat los kan worden gezien van de woning en de tuin daarbij. Ook dat geeft steun aan het verweer van Keijzer c.s. dat sprake is van een van de huur van de woonruimte losstaande overeenkomst tot gebruik van de grond.
4.5
Gedurende meer dan tien jaar is het betreffende stuk grond in gebruik gegeven. Die overeenkomst is aan te merken als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Voor de beslissing in deze zaak is niet van belang of deze duurovereenkomst, zoals [geïntimeerden] c.s. aanvoeren, moet worden aangemerkt als bruikleenovereenkomst of, zoals de kantonrechter heeft geoordeeld, als huurovereenkomst met betrekking tot een onroerende zaak die noch woonruimte, noch bedrijfsruimte is. In beide gevallen is de overeenkomst in beginsel opzegbaar (zie artikel 7:228 lid 2 BW Pro voor een huurovereenkomst van een onroerende zaak die noch woonruimte, noch bedrijfsruimte is).
[geïntimeerden] c.s. konden dan ook in beginsel de overeenkomst opzeggen wanneer hen dat goeddunkte. Weliswaar gebruiken [appellanten] c.s. het perceel grond al jarenlang en hebben zij belang bij het behoud van de grond, zodat zij hun dieren, waarvoor zij op het perceel ook voorzieningen hebben getroffen, dichtbij hun woonruimte kunnen houden, echter dat impliceert niet dat [geïntimeerden] c.s. (als eigenaar) het gebruik van de grond niet zouden mogen opzeggen. Hierbij weegt mee dat niet is gebleken dat [appellanten] c.s. hun dieren niet elders kunnen onderbrengen.
4.6
De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat er een goede reden voor opzegging moet zijn, een bepaalde termijn in acht moet worden genomen en/of dat [geïntimeerden] c.s. een vergoeding aan [appellanten] c.s. is verschuldigd. De door [geïntimeerden] c.s. in acht genomen opzegtermijn van drie maanden voldoet aan deze eisen. Gedurende die periode hebben [appellanten] c.s. voldoende tijd gehad om hun dieren elders onder te brengen. Gelet op het voorgaande falen de grieven 1 en 2.
4.7
[geïntimeerden] c.s. hebben in hoger beroep hun eis gewijzigd en gevorderd om aan de veroordeling tot ontruiming van het perceel grond een dwangsom te verbinden van € 1.000,- per dag of per dagdeel dat [appellanten] c.s. in gebreke blijven het perceel grond te ontruimen. De wet voorziet op grond van artikel 555 Rv Pro e.v. al in een dwangmiddel bij ontruiming in de vorm van het inschakelen van een gerechtsdeurwaarder. Daarom had het op de weg van [geïntimeerden] c.s. gelegen te onderbouwen waarom een extra prikkel tot nakoming van de veroordeling tot ontruiming in de vorm van een dwangsom nodig is. Nu een dergelijke onderbouwing ontbreekt, zal de vordering bij gebrek aan voldoende belang daarbij worden afgewezen. Voor zover het hof [appellanten] c.s. per abuis niet tijdig in de gelegenheid heeft gesteld om op de vermeerderde eis (dus een incidenteel hoger beroep) te reageren, hebben zij daar geen belang meer bij.
De verlenging van de huurovereenkomst woonruimte
4.8
De kantonrechter heeft de huurovereenkomst ten aanzien van de woonruimte op grond van artikel 7:273 lid 2 BW Pro voor de duur van één jaar verlengd. Dat betekent dat [geïntimeerden] c.s. de overeenkomst vanaf drie maanden voor het einde van dat jaar opnieuw kunnen opzeggen (artikel 7:277 lid 2 BW Pro). [appellanten] c.s. betogen in grief 3 dat de overeenkomst niet voor een jaar maar voor onbepaalde tijd moet worden verlengd. Dan zouden [geïntimeerden] c.s. de overeenkomst pas na drie jaar opnieuw kunnen opzeggen (artikel 7:277 lid 2 BW Pro).
4.9
Het hof is van oordeel dat de door de kantonrechter genoemde omstandigheden voldoende aanleiding geven voor de conclusie de overeenkomst met één jaar te verlengen. [geïntimeerden] c.s. hebben de woonruimte in de toekomst namelijk mogelijk nodig voor dringend eigen gebruik. [geïntimeerden] c.s. hebben immers plannen om het agrarisch bedrijf te wijzigen en daarom wensen zij de nabijheid van één van hun zoons. Ook met het oog op hun gezondheidssituatie, die maakt dat zij volgens de verklaring van hun huisarts in de nabije jaren afhankelijker worden van zorg, is dat nodig. [appellanten] c.s. hebben de weging door de kantonrechter van deze beëindigingsgronden die zich in de toekomst mogelijk kunnen voordoen onvoldoende weerlegd. Daarom faalt grief 3.

5.De slotsom

5.1
Het hoger beroep van [appellanten] c.s. faalt. De vordering in hoger beroep van [geïntimeerden] c.s. om aan de veroordeling van [appellanten] c.s. tot ontruiming van het perceel grond een dwangsom te verbinden zal worden afgewezen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
5.2
Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. zullen worden vastgesteld op € 324,- voor griffierecht en op € 1.074,- (1 punt x appeltarief II).
5.3
Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 4 september 2019;
wijst de vermeerderde eis in hoger beroep af;
veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. vastgesteld op € 324,- voor griffierecht en op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
veroordeelt [appellanten] c.s. in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellanten] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;
verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, Th.C.M. Willemse en L.F. Wiggers-Rust en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020.