ECLI:NL:GHARL:2020:10754

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 december 2020
Publicatiedatum
22 december 2020
Zaaknummer
200.275.573
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377a lid 3 BWArt. 810a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof bevestigt hoofdverblijfplaats zoon bij vader en wijst verzoek moeder af

De ouders van de minderjarige zijn gezamenlijk gezaghouders, maar de relatie is beëindigd. De minderjarige woont sinds december 2017 bij de vader. De rechtbank had eerder bepaald dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder was, met een zorgregeling waarbij het kind wekelijks wisselde.

De vader verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats naar hem toe, wat de rechtbank toewijst. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht om terugplaatsing van de hoofdverblijfplaats bij haar, met een aangepaste omgangsregeling.

Het hof overwoog dat het rapport van een gecertificeerde instelling (GI) en het advies van de raad voor de kinderbescherming het belang van de minderjarige het beste gediend achten met verblijf bij de vader. De vader biedt een stabiele en gestructureerde opvoedomgeving, terwijl bij de moeder zorgen zijn over gewicht, schoolverzuim en gedrag. Het hof wees een contra-expertise af vanwege de belasting voor het kind.

Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek van de moeder af. Tevens benadrukte het hof het belang van betere communicatie tussen ouders om het welzijn van het kind te bevorderen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader blijft en wijst het verzoek van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.275.573
(zaaknummer rechtbank Gelderland 360442)
beschikking van 22 december 2020
inzake
[verzoekster],
wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.R.T. Tromp te Nijmegen,
en
[verweerder],
wonende te [B] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.E.M. Messink te Wijchen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Arnhem,
verder te noemen: de GI.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 december 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder te noemen de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 13 maart 2020;
  • het verweerschrift van de vader, en
  • een journaalbericht van mr. Tromp van 19 november 2020 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 26 november 2020 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de GI zijn verschenen [C] en [D] . Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [E] verschenen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , verder: [de minderjarige] , geboren [in] 2014 te [F] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit. De relatie van de ouders is geëindigd. [de minderjarige] woont sinds december 2017 bij de vader.
3.2
Bij beschikking van 5 juli 2016 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De termijn van deze ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 17 juli 2021.
3.3
Bij beschikking van 21 april 2017 heeft de rechtbank bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder zal zijn en als regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld dat [de minderjarige] de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader verblijft, waarbij de overdracht op vrijdagmiddag is. De rechtbank heeft daarbij voorts bepaald dat de vakanties en feestdagen gelijk worden verdeeld, met dien verstande dat [de minderjarige] (gelet op zijn leeftijd) niet langer dan twee weken aaneengesloten bij een ouder verblijft.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen zijn in geschil de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige] .
Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking is, met wijziging van de beschikking van 21 april 2017, vastgesteld dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader zal zijn en als regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld dat [de minderjarige] bij de moeder verblijft:
  • elke woensdag na school tot 17.00 uur, waarbij de moeder haalt en brengt;
  • een weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 16.00 uur, waarbij de moeder [de minderjarige] haalt van school en de vader [de minderjarige] op zondag bij de moeder ophaalt;
  • de helft van de schoolvakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen.
4.2
De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar zal zijn en dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn:
-elke woensdag na school tot 18.00 uur;
-een weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 17.00 uur;
-de helft van de schoolvakanties en feestdagen in onderling overleg nader in te vullen.
4.3
De vader heeft verweer gevoerd. Hij verzoekt het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking, zo nodig onder aanvulling en verbetering van gronden, te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
5.2
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader moet zijn. De rechtbank heeft daarbij aangesloten bij het rapport van [G] (verder: [G] ). De moeder is het niet eens met de inhoud van dat rapport en wil dat er een tegenonderzoek komt. Er wordt onvoldoende aandacht geschonken aan de door haar gesignaleerde zorgen over [de minderjarige] , zoals zorgen over zijn gewicht, de schoolgang en gedragsproblematiek. De moeder is van mening dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] weer bij haar moet zijn.
5.3
De vader stelt daartegenover dat de moeder zich, tegen hun afspraken in, niet neerlegt bij de uitslag van het onderzoek van [G] . Uit dat onderzoek blijkt dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zijn hoofdverblijfplaats bij de vader is. De zorgen die de moeder heeft over [de minderjarige] krijgen voldoende aandacht. De vader is geen voorstander van een door de moeder verzochte contraexpertise. Een dergelijk onderzoek zal belastend zijn voor [de minderjarige] en bovendien vertragend werken bij de door [de minderjarige] te volgen therapie.
Wijziging van de hoofdverblijfplaats met de door de moeder voorgestelde wijziging van de omgangsregeling is niet in het belang van [de minderjarige] , aldus de vader.
5.4
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is het volgende gebleken.
[de minderjarige] is na een incident tussen [de minderjarige] en de toenmalige partner van de moeder in december 2017 geplaatst bij de vader. Uit een door [G] uitgevoerd onderzoek blijkt dat de vader sensitief en responsief is en dat hij [de minderjarige] een voorspelbaar en gestructureerd opvoedklimaat biedt, terwijl bij de moeder op dat punt enkele zorgen en aandachtspunten zijn geconstateerd. De conclusie van [G] is dat de hoofdverblijfplaats bij de vader het meest in het belang van [de minderjarige] moet worden geacht.
De moeder heeft tijdens de zitting van het hof gezegd dat zij bezorgd is over het gewicht van [de minderjarige] (hij is te zwaar), over zijn schoolverzuim en over het lastige gedrag dat hij vertoont.
De vader heeft verklaard dat er, met de hulp van de gezinsvoogd in het kader van de ondertoezichtstelling, serieus aandacht is voor de genoemde zorgen.
Namens de GI is ter zitting medegedeeld dat met de vader over het schoolverzuim is gesproken en daarnaast is bevestigd dat hulp is ingeschakeld voor de gedragsproblematiek. De GI heeft toegezegd dat zij de moeder bij de hulpverlening zal betrekken, maar heeft ook opgemerkt dat de kern van het probleem de slechte communicatie tussen de vader en de moeder is. [de minderjarige] heeft duidelijk last van die slechte communicatie. Hij krijgt kennelijk het nodige mee van de strijd tussen de ouders, zeker in de periode rond een zitting, waardoor de genoemde zorgen alleen maar in stand worden gehouden.
5.5
Het hof is, gelet op al het voorgaande en mede gelet op het advies van de raad, van oordeel dat het in het belang is van [de minderjarige] dat zijn hoofdverblijfplaats bij de vader is. [de minderjarige] verblijft nu al drie jaar van zijn jonge leven bij de vader, hij ontwikkelt zich daar goed en de opvoedsituatie is stabiel. Het hof voegt daaraan toe dat [de minderjarige] er het meest bij gebaat is als de ouders hun onderlinge strijd staken en werken aan een verbetering van hun communicatie. Dat is ook wat de raad heeft geadviseerd. Als de ouders hun strijd staken, geeft dat [de minderjarige] het gevoel dat hij van de moeder bij de vader mag wonen en opgroeien, maar ook dat de vader het goed vindt dat hij regelmatig bij de moeder verblijft.
5.6
Het verzoek van de moeder om een andere zorg- en contactregeling vast te stellen is voorwaardelijk, namelijk voor het geval de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar zou worden vastgesteld. Nu aan die voorwaarde niet is voldaan, hoeft het hof over dat voorwaardelijke verzoek geen oordeel te geven.
5.7
Het hof ziet geen aanleiding om een contra-expertise als bedoeld in artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te gelasten. [de minderjarige] heeft veel last van de huidige onrustige situatie. Een dergelijk onderzoek zou te belastend zijn voor [de minderjarige] , brengt nog langer onduidelijkheid met zich mee en is daarom niet in zijn belang.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 december 2019;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Eskes, J.B. de Groot en I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 22 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.