De ouders van de minderjarige zijn gezamenlijk gezaghouders, maar de relatie is beëindigd. De minderjarige woont sinds december 2017 bij de vader. De rechtbank had eerder bepaald dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder was, met een zorgregeling waarbij het kind wekelijks wisselde.
De vader verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats naar hem toe, wat de rechtbank toewijst. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht om terugplaatsing van de hoofdverblijfplaats bij haar, met een aangepaste omgangsregeling.
Het hof overwoog dat het rapport van een gecertificeerde instelling (GI) en het advies van de raad voor de kinderbescherming het belang van de minderjarige het beste gediend achten met verblijf bij de vader. De vader biedt een stabiele en gestructureerde opvoedomgeving, terwijl bij de moeder zorgen zijn over gewicht, schoolverzuim en gedrag. Het hof wees een contra-expertise af vanwege de belasting voor het kind.
Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek van de moeder af. Tevens benadrukte het hof het belang van betere communicatie tussen ouders om het welzijn van het kind te bevorderen.