In deze zaak staat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over een minderjarige centraal, waarbij de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. De rechtbank had een zorg- en contactregeling vastgesteld waarbij de vader minimaal tweemaal per week contact met het kind zou hebben, met een opbouw van begeleid naar onbegeleid contact. De moeder is veroordeeld tot nakoming van deze regeling met een dwangsom bij niet-naleving.
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking en heeft tevens verzocht om schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Dit verzoek heeft zij later ingetrokken, waardoor het hof haar niet-ontvankelijk verklaart in dat verzoek. Tijdens de mondelinge behandeling waren beide ouders en een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming aanwezig.
Het hof oordeelt dat op basis van de beschikbare informatie onvoldoende duidelijkheid bestaat om een definitieve beslissing te nemen over de zorgregeling. Daarom wordt de behandeling aangehouden en wordt de raad voor de kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten naar de meest passende verdeling van zorg- en opvoedingstaken in het belang van het kind. Partijen hebben aangegeven het onderzoek niet af te wachten en zich via het sociaal wijkteam aan te melden voor begeleiding.
De zaak zal worden voortgezet na ontvangst van het rapport van de raad, waarbij de raad onder leiding staat van een raadsheer-commissaris. Partijen dienen hun inlichtingen aan deze raadsheer-commissaris te richten. De beschikking is op 22 december 2020 in het openbaar uitgesproken.