Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2020:1451

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 januari 2020
Publicatiedatum
20 februari 2020
Zaaknummer
TBS P19/0332
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138 SvArt. 435 SvArt. 509m lid 1 SvArt. 270 SvArt. 6:6:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van hoger beroep tegen verlenging terbeschikkingstelling

De terbeschikkinggestelde was in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland tot verlenging van zijn terbeschikkingstelling met een jaar. Het hof heeft de zaak behandeld waarbij de terbeschikkinggestelde op 30 december 2019 rogatoir werd gehoord en zijn hoger beroep toelichtte.

De raadsman van de terbeschikkinggestelde stelde primair dat het hoger beroep ingetrokken was voordat het onderzoek was aangevangen, en subsidiair dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens gebrek aan belang. De advocaat-generaal concludeerde eveneens tot niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan belang.

Het hof oordeelde dat het onderzoek ter terechtzitting was aangevangen op het moment van het rogatoire verhoor op 30 december 2019, waardoor een eindbeslissing noodzakelijk was. Gezien het gebrek aan belang verklaarde het hof de terbeschikkinggestelde niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de verlenging van de terbeschikkingstelling.

Uitkomst: De terbeschikkinggestelde is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

TBS P19/0332
Beslissing d.d. 23 januari 2020
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[terbeschikkinggestelde],
geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [1970] ,
verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) [naam FPC] .
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 24 september 2019, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar en impliciet afwijzing van het verzoek tot aanhouding teneinde de mogelijkheden van een rechterlijke machtiging te onderzoeken.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
- de processen-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
- de beslissing waarvan beroep;
- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 2 oktober 2019;
- de aanvullende informatie van FPC [naam FPC] van 30 december 2019 met als bijlage de wettelijke aantekeningen van 13 mei 2019 tot en met 20 augustus 2019;
- het proces-verbaal van het rogatoir verhoor van de terbeschikkinggestelde van 30 december 2019;
- de akte intrekking hoger beroep van 9 januari 2020.
Het hof heeft ter zitting van 9 januari 2020 gehoord de raadsman van de terbeschikkinggestelde, mr. M.A.I. Witlox, en de advocaat-generaal mr. D.J. de Jong.

Overwegingen:

Het standpunt van de raadsman van de terbeschikkinggestelde
De raadsman heeft primair betoogd dat het hof geen beslissing meer kan nemen omdat het hoger beroep is ingetrokken voor het uitroepen van de zaak. De raadsman verwijst daarbij naar het bepaalde in artikel 435 Wetboek Pro van Strafvordering. Subsidiair heeft de raadsman niet-ontvankelijkheid bepleit bij gebrek aan belang.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in zijn hoger beroep bij gebrek aan belang.
Het oordeel van het hof
Ingevolge artikel 509 m lid 1 (oud)Wetboek van Strafvordering (thans 6:6:10 Wetboek van Strafvordering ) juncto artikel 270 Wetboek Pro van Strafvordering begint de voorzitter het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak tegen betrokkene. Deze bepaling markeert het moment waarop het onderzoek ter terechtzitting een aanvang neemt, hetgeen onder andere tot gevolg heeft dat er een beslissing in de zin van artikel 138 Wetboek Pro van Strafvordering dient te volgen. In het onderhavige geval is de terbeschikkinggestelde op 30 december 2019 door een raadsheer van de penitentiaire kamer rogatoir gehoord, waarbij aan de terbeschikkinggestelde de cautie is gegeven, een toelichting op de procedure is gegeven en gevraagd is naar de reden van het hoger beroep. De terbeschikkinggestelde heeft zijn hoger beroep aan de raadsheer toegelicht. Hierdoor wordt het onderzoek van de zaak geacht te zijn aangevangen, en dient er een eindbeslissing te volgen.
Nu de raadsman subsidiair niet-ontvankelijkheid bij gebrek aan belang heeft bepleit, de advocaat-generaal heeft aangegeven dat behandeling van het hoger beroep niet behoeft plaats te vinden en ook het hof ambtshalve geen reden ziet voor behandeling van het hoger beroep, zal het hof de terbeschikkinggestelde wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaren in zijn beroep.

Beslissing

Het hof:
Verklaartde terbeschikkinggestelde
[terbeschikkinggestelde] niet-ontvankelijkin het tegen de beslissing van de Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 2 oktober 2019 ingestelde hoger beroep.
Aldus gedaan door
mr. A.B.A.P.M. Ficq als voorzitter,
mr. G. Mintjes en mr. Z.J. Oosting als raadsheren,
en drs. E.M.M. Mol en drs. R.J.A. van Helvoirt als raden,
in tegenwoordigheid van E. van der Zand als griffier,
en op 23 januari 2020 in het openbaar uitgesproken.
De raden en de griffier zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.