Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 januari 2020;
- het verweerschrift, en
- een journaalbericht van mr. Botterblom van 17 februari 2020.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter die een machtiging voor gesloten jeugdhulp aan [verzoeker], een minderjarige, heeft verleend. De moeder heeft het gezag en de jeugdige is onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling (GI). De machtiging was verleend wegens ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen en de noodzaak van gesloten plaatsing.
[Verzoeker] betoogt dat de machtiging alleen is verleend omdat er geen reguliere open plek beschikbaar was, en dat dit geen wettige grond is voor gesloten plaatsing. Het hof overweegt dat hoewel de situatie van [verzoeker] verbeterd was, deze verbetering nog fragiel was en de thuissituatie onvoldoende was verbeterd. De gesloten plaatsing was daarom aanvankelijk gerechtvaardigd.
Echter, het hof stelt vast dat het wettelijke criterium voor gesloten plaatsing niet langer wordt voldaan, mede bevestigd door de jeugdbeschermer. Het feit dat er een wachtlijst is voor een open plek rechtvaardigt geen voortzetting van de gesloten plaatsing, omdat dit een te ingrijpend middel is. Het hof bekrachtigt de beschikking tot 5 maart 2020 en vernietigt deze daarna, waarbij het verzoek tot verlenging wordt afgewezen. De GI krijgt de gelegenheid een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing te vragen en een geschikte vervolgplek te vinden.
Uitkomst: De machtiging gesloten jeugdhulp wordt bekrachtigd tot 5 maart 2020 en daarna vernietigd; het verzoek tot verlenging wordt afgewezen.