ECLI:NL:GHARL:2020:2250
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepasselijk recht huwelijksvermogensregime en hoofdverblijfplaats minderjarige bij vader
De zaak betreft twee samenhangende hoger beroepen over het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime en de hoofdverblijfplaats van een minderjarige. Partijen zijn gescheiden ouders met verschillende nationaliteiten en wonen respectievelijk in Nederland en de Bahama's. De rechtbank had eerder bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader is.
De vader betwistte de toepassing van Nederlands recht, stellende dat het eerste huwelijksdomicilie op de Bahama's was vanwege het verblijf en de geboorte van de kinderen daar, en dat het verblijf in Nederland tijdelijk was. Het hof oordeelde echter dat partijen binnen een maand na het huwelijk naar Nederland verhuisden met de intentie daar te blijven, waardoor het eerste huwelijksdomicilie in Nederland gevestigd is. Dit oordeel werd bevestigd mede op basis van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 en jurisprudentie.
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige stelde de moeder dat deze bij haar moest worden vastgesteld. Het hof volgde de rechtbank en oordeelde dat het belang van het kind gediend is met verblijf bij de vader, waar het kind inmiddels ruim anderhalf jaar woont, gestabiliseerd is en zich goed ontwikkelt. De complexe situatie tussen ouders en de geografische afstand maken het contact moeilijk, maar het is van belang dat ouders samenwerken in het belang van het kind.
Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking van de rechtbank en wees de overige verzoeken af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader blijft.