ECLI:NL:GHARL:2020:2755
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ouder zonder gezag is geen belanghebbende bij opheffing ondertoezichtstelling
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of een ouder zonder gezag als belanghebbende kan worden aangemerkt bij de opheffing van een ondertoezichtstelling. De moeder had geen gezag over haar minderjarige kind en stelde dat zij door de opheffing van de ondertoezichtstelling rechtstreeks in haar belangen werd geraakt, omdat zij daardoor geen omgang met het kind had.
Het hof verwees naar eerdere uitspraken van de Hoge Raad en overwoog dat de ondertoezichtstelling ingrijpt in de rechtsbetrekking tussen gezagsdragers en het kind, maar niet rechtstreeks de rechten van een ouder zonder gezag raakt. Het hof vond geen bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken.
Verder oordeelde het hof dat de beslissing over de opheffing van de ondertoezichtstelling niet samenhing met een inmenging in het family life van de moeder met het kind zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. De ondertoezichtstelling was niet specifiek gericht op effectuering van dat recht. Daarom was de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
De beschikking van de kinderrechter van 17 oktober 2019 werd bevestigd en het hoger beroep van de moeder werd afgewezen.
Uitkomst: De moeder zonder gezag is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de opheffing van de ondertoezichtstelling.